Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Bijzondere biografie Kemp aanstaande | Hoofdmenu | De beroepsziekte van de dichter »

05 januari 2010

Gedichten: Paul Rigolle

Rigolle Paul Rigolle (1953) is dichter en schrijver. Redactielid van Digther en medewerker van Veduta en Poëzierapport. Publiceerde eerder de dichtbundels Mond- en Clownzeer (1980), De Hel van het Noorden (1982) en Overal en op alle plaatsen (1986) en de wielerboeken Op de helling (1990) en Vélo-dromen: het wielrennen in de Nederlandse literatuur (i.s.m. Patrick Cornillie, 1991). Onlangs verscheen Van het hart een steen, bij het Poëziecentrum.

1. Wat is uw favoriete gedicht uit deze bundel?

Da’s een moeilijke! Als ik dan toch moet kiezen, ga ik, in deze periode van volle vaten glühwein en andere gelukzaligheiden, voor een ijsgedicht uit de cyclus Winterhart. Het wintergedicht tussen Damme en Brugge misschien. Omwille van het wat sloganeske “Nering krijg de tering”-gevoel en de herinnering aan een kou die helemaal vanuit het Noorden komt.

Krijger (Brugge-Damme en terug)  

Op de oevers zal men wuiven. Water waarover
men lopen kan en dat gestold de beide steden bindt.
Met duizenden komen ze aangewaaid. Levensgroot,
alsof ze zichzelf hebben aangebonden, groeien ze
boven hun schoenen uit. Een bril, de muts diep
over de ogen, oren ingepakt, Winterhart. Niemand
kan hem zien. Wulken, oliebollen, warme wijn.
Nering, krijg de tering. Hou de klapschaats
aan de praat. Zachtjes buigend, een hand op de rug,
heeft hij zich gemengd. Krappe krijger. In het feest
van oude klare slijpt hij krijtwit zichzelf terug,
komt tenslotte voor het donker aan, versluisd,
verdoofd, als een brief in een bus.

(2) Vertel wat u over deze bundel kwijt wilt, in maximaal 200 woorden die niet op de flaptekst mogen voorkomen.

Ik hou wel van het geheel en het opzet van deze bundel. De metafoor van het hart loopt als een kleine rode wichelroede doorheen Van het hart een steen. Ook het gegeven dat het leven veel van deze gedichten in de jaren van hun ontstaan is komen nadoen, en niet omgekeerd, maakt de bundel voor mij speciaal. Het hart zelf sputterde in de loop van de jaren dat de gedichten geschreven zijn, zelfs letterlijk tegen. Als wilde het volop deelnemen aan deze gedichten. In die zin zit in veel van de gedichten in Van het hart een steen een pak “voorzienigheid”.

In de hele eerste versie van Manhattan stonden de Twintowers nog recht terwijl iemand nu in het gedicht naar Manhattan wil als naar het einde van de wereld. In de cyclus Coronarografie was er met het hart nog helemaal niks aan de hand… De taal doet vreemde dingen met een man. Maar uiteraard illustreert zo’n bundel nog het meest hoe je zelf het liefst wil schrijven. Niet bang om onmodieus te klinken. Niet bang om voluit het hoofd (en het hart te bieden) aan wat ik graag noem “De angst voor de ernst”. Want uiteindelijk:

Zwijgen stelt niets voor, spreken is een plicht

die zoveel groter is. De stem blijft een spier om
op te warmen, waarop nog gewacht, wentel weg de steen,
Breng hem naar de stad, besta en zing en ga.

Uit 'Paars'

(3) Welke dichters (of dichter) behoorde(n) bij het schrijven van deze bundel tot uw inspiratiebronnen? Op welke wijze?

Dichters als specifieke inspiratiebronnen? Niet echt. Maar ze kijken natuurlijk wel allemaal mee, de dichters die je in de loop van de jaren meer dan andere blijft lezen en herlezen. Het hele lijstje… Van Pernath, over De Haes tot bij Van Tongele. Via Claus, Hertmans en Ter Balkt tot bij D’haen. Van Wallace Stevens over Pessoa, Brodsky, Eliot tot bij Heaney. De bundel bevat ook een cyclus “Too late Blues” (Al te late brieven aan John Cassavetes). De titel verwijst naar een oude, vergeelde film van Cassavetes en er staan een pak verwijzingen in naar dichters en dingen.

Maar invloeden laten zich uiteraard veelal onbewuster gelden dan je dat vermoedt. Waar ze beginnen valt achteraf meestal niet meer uit te maken. Wat je zelf maakt is meestal een blauwdruk van alles wat je hebt gelezen, gezien, overwogen, uitgekraamd… Waar je op hebt gegokt, waar je van houdt… In de poëzie mag van mij alles. De helderheid van kristal. Podiumgeraas. Rubbish, onzin, platvloersheid… Bergwater … Maar zelf hou ik, zoals al gezegd, nog altijd meer van gedichten die de ernst niet schuwen. En in hun beste momenten een nieuwe draai aan de taal weten te geven.

Het mag wat mij betreft best wat duisterder.. Poëzie is gewoon een kast vol muziekjes die er staat voor de rest van het leven. Van Rilke tot Ramstein. Van Leopold M. Van den Brande tot Springsteen. Van Pergolesi tot Pfeijffer … Mijn enige eigen ambitie is het om daar uiteindelijk af en toe ‘ns en haast ongemerkt een niet onaardige Rigolle tussen te schuiven.

Reacties

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...