Albino lama’s, religie en meeteenheden
Lennert Ras
Zeven november kwam een select gezelschap samen in de Noorderpark kamer in Amsterdam Noord voor een klein feestje. Floor Buschenhenke lanceerde haar debuutbundel Eiland op sterk water. Het gezelschap bestond uit collega dichters, vrienden, familie en ex-collegae van uitgeverij Atlas, waar de bundel ook is uitgegeven. Redacteur Koen Vergeer hield een korte toespraak. Hij begon met een grapje. Tijdens het lezen van de kopij voor de bundel vroeg hij zich af wat een femtometer was. Een mederedacteur mailde dat het een alarm was, dat afging, als Femke Halsema in de buurt kwam. De femtometer is echter een heel kleine meeteenheid (10 tot de macht -15) en wordt gebruikt om atomen en neutronen te meten. En meten is een belangrijk thema in de bundel. Buschenhenke heeft in een grijs verleden kort in het wetenschappelijk onderzoek gewerkt, en dat komt op een bepaalde manier terug in haar poëzie. Bijvoorbeeld al in de titel Eiland op sterk water. Ze moest tijdens haar werk tests afnemen bij mensen, en de betrouwbaarheid van tests houden haar bezig. Daar wilde ze iets mee doen. ‘In de alfawetenschap wordt veel statistiek gebruikt, beredeneerd gekeken naar waarschijnlijkheid,’ maar volgens Buschenhenke is er een spanning tussen echt meten en vertrouwen, voelen, intuïtie, met je hart weten.
Vergeer verwees in zijn speech ook naar het gedicht ‘St. Mandelbrot.’ Bij St. Mandelbrot denk je vrij snel aan een eiland, ook omdat dit thema vaker terug komt in de bundel. Maar het is helemaal geen eiland. Mandelbrot is de bedenker van de fractal, een wiskundige meetkundige figuur. In het gedicht wordt het eiland met een steeds kleinere meeteenheid gemeten. Er wordt steeds nauwgezetter gemeten, totdat men bij het heilige komt, het godvormige gat (in het gedicht ‘Iona’ – dat wel een echt eiland is). Volgens Koen Vergeer geldt dat ook voor Buschenhenkes poëzie. Van hoe dichterbij je het gaat bekijken, hoe boeiender, interessanter het wordt. ‘Haar poëzie zit goed in elkaar en staat stevig op z’n poten,’ aldus Vergeer. Na de toespraak droeg Buschenhenke het gedicht ‘St. Mandelbrot’ en het gedicht ‘personenweegschaal’ voor. Bij dit laatste gedicht gaat het ook om meten, maar dan op een heel andere manier, want is er een maximum velgrootte om je goed bij te voelen?
Zoals gezegd, hoe kleiner de meetschaal, hoe dichter je bij het goddelijke komt. In de bundel wordt zowel Nietzsche (in ‘de lijfwachtenleesclub’) als het boeddhisme (‘anicca’ - vergankelijkheid -, ‘dukkha’ en ‘anatta’) aangehaald. Buschenhenke vindt dat Nietzsche, die ze graag leest, maar nog niet echt begrijpt (ze worstelde zich een paar keer door Also sprach Zarathustra heen), zeker in de buurt van het boeddhisme komt. ‘Nietszche schrijft mooie pastiches, haast als een orakelboek.’ Maar Nietszsche was toch een nihilist en atheïst? Buschenhenke is van mening dat de leegte, waarbij Nietszche uitkomt, voor hem een soort goddelijke dimensie krijgt. ‘Hij is zo wanhopig en breekt alles af, maar aan die leegte hecht hij waarde.’ Dukkha betekent lijden en dat beschrijft Buschenhenke in het gelijknamige gedicht vanuit een gevoel achter het borstbeen. Het gaat haar om de fysieke reacties bij emoties, bijvoorbeeld hoog ademhalen bij opgefoktheid. Collega dichter Arnoud vindt dat Buschenhenke aan de ene kant hard exact is, maar aan de andere kant kinderlijk fantaseert. Ze kijkt als het ware als een kind naar de wetenschap.
In ieder geval komt Eiland op sterk water over als zeer doorwrocht, en je verwacht een soort diepere boodschap achter de bundel als geheel. Daarom verbaast het ook een beetje dat gedichten al in verschillende tijdschriften eerder zijn verschenen. De dichteres is pas achteraf met structureren begonnen en niet tijdens het schrijven zelf. De oudste gedichten in de bundel zijn van zes jaar geleden, de meeste gedichten van de laatste drie jaar. Buschenhenke heeft achteraf een selectie gemaakt van wat wel en niet in de bundel zou komen, van wat er thematisch of qua vorm wel of niet in paste. Haar gedichten waren toch een beetje ‘los zand,’ zegt ze zelf. Toch ziet ze wel een bepaalde thematiek in haar werk terugkeren, en wil ze haar volgende bundel misschien meer in reeksen schrijven. Tijdens het schrijven maakt ze vaak meerdere gedichten rond een thema, zoals het blokje meetinstrumenten. Maar bij ‘het rusteloze-hoeven-syndroom’ over albino lama’s en het daarop volgende gedicht ‘initiatie’ (waarin de lama lijkt terug te komen) komt haar inspiratie weer van een schilderij met albinodieren, dat ze op een tentoonstelling zag hangen en zo mooi vond. De titel van een kunstwerk is voor haar meestal van belang om te beoordelen of iets echt kunst is. Bijvoorbeeld Damian Hirst, die een haai in sterk water tentoonstelde (in het gedicht ‘Anicca’). Is dit kunst? Juist door de titel ‘de onmogelijkheid de eigen dood voor te stellen’, bijna een gedicht, werd het voor Buschenhenke kunst. Verder laat ze zich inspireren door muziek. In haar bundel komen verwijzingen voor naar Ani DiFranco en Bob Dylan, die ook helden van haar zijn. DiFranco spreekt haar zo aan vanwege haar eigenzinnigheid. Haar werk is zeer divers. Ze schrijft en zingt onder andere over liefdesverdriet, de emancipatie van de vrouw en het moederschap.
Buschenhenke begon al vroeg, zo rond haar twaalfde, met schrijven. Haar held was Hans Dorresteijn. Die maakte diepe indruk met zijn gruwelijke en grappige verhalen. Bijvoorbeeld over een meisje dat van een moedervlek af wilde en uiteindelijk moest haar been eraf. Ze las veel en begon eerst met verhalen te schrijven. Andere helden waren Tonke Dragt, Roald Dahl, de gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren en Thea Beckman. Ook heeft ze in haar jonge leven een fantasy fase gehad. Al heel jong wilde ze Het dagboek van Anne Frank lezen, maar daar vond haar leraar haar te jong voor. ‘Maar Anne Frank was toch ook jong?’ was haar antwoord. Op de middelbare school ging ze om haar conservatieve leraar Nederlands dwars te zitten, juist alleen maar generatie X boeken lezen, zoals Giphart en Coupland. Ze vond dat haar leraar maar eens wat nieuwe boeken moest lezen, in plaats van twee jaar lang over De Aanslag te praten.
In Eiland op sterk water komt ook een gedicht over Marsman voor. En juist door Marsman begon ze poëzie te lezen. Ook hield Buschenhenke van de sprookjes van Couperus. Een echte heldin van haar is Sarah Lindsay. Zij schrijft anekdotische, verhalende poëzie (een soort proza gedichten) die ook veel over wetenschap gaan. ‘Er is zeker wel verwantschap met haar in mijn instrumentengedichten,’ beaamt Buschenhenke. Een andere held is Rumi, een soefi dichter uit de dertiende eeuw. Die leest ze in het Engels, want de Nederlandse vertaling is minder mooi. Ze heeft zelf Engels gestudeerd en heeft ook meer roots in de Engelstalige dan in de Nederlandse literatuur. Bijvoorbeeld Anne Carson en Seamus Heaney, die heel zintuigelijk is (vergelijk dit met het zintuigelijke beschrijven van het lijden in het gedicht ‘Dukkha’). Maar ook Michael Ondaatje vindt ze heel mooi.
Buschenhenke houdt zelf heel erg van het vrije vers en een beetje absurdisme. Toch moet een dichter die vrije verzen schrijft zich heel bewust zijn van de vorm. Melancholisch werk spreekt haar niet zo aan. Ze is een tijd hoofdredacteur bij Lava geweest en bij de kopij voor dit blad zat zoveel werk over liefdesverdriet. ‘Als je zoveel rond één thema leest, dan raak je erdoor overvoerd.’ Ook heeft ze een voorliefde voor schrijvers die zelf woorden bedenken. Dat vindt ze gewoon mooi. Omdat ze zelf in het uitgeverijwezen werkt (al doet ze daar vooral non-fictie) vraag je je af hoe ze dan naar haar eigen werk kijkt. ‘Ik vind het moeilijk om mijn eigen kwaliteit te beoordelen,’ vertelt Buschenhenke en ‘ik ben niet trots op de inhoud, maar het was wel een oude droom van me om een boek te maken.’ Dat wilde ze al op haar zesde of zevende. Dus met het verschijnen van haar bundel ging er wel een droom in vervulling. ‘Ik leg de lat altijd wel net iets te hoog,’ vertelt ze: ‘Ik doe iets waarvan ik niet weet of het lukt.’ En dat vindt ze ook heel belangrijk, want anders ontwikkel je jezelf niet; verander je niet, als je schrijft. Ze wil zichzelf altijd verrassen. De dichter Edwin Fagel spreekt haar ook erg aan. Hij gebruikt vaak het alledaagse met daaronder grote emotie. ‘Maar ik heb het zelf eerder van het absurde, het sprookjesachtige. Zoals de ondergrondse iglo (in het gedicht ‘initiatie’), daar zou Fagel nooit mee komen.’
Heeft Buschenhenke nog tips voor ongedebuteerde dichters? Zelf heeft ze een beurs gehad van Hollands Maandblad en daardoor werd ze door uitgevers wel serieuzer genomen. ‘Publicaties in literaire tijdschriften hebben wel waarde, ook al worden ze amper gelezen. Daar kijken uitgeverijen wel naar. En je moet een lange adem hebben,’ besluit ze, ‘je moet gelezen willen worden.’ Vanwege haar drukke werkzame bestaan plant ze nu echt schrijftijd in en dan komt ze altijd wel weer op invallen, die ergens toe leiden. Momenteel schrijft ze mee aan NaNoWriMo. Deelnemers schrijven in één maand een roman van minstens vijftig duizend woorden. De nadruk ligt op kwantiteit en niet op kwaliteit. Goed als training, maar ze denkt er echt niet aan haar resultaat van dit schrijfevent te gaan publiceren. Haar moeder Marja is vooral onder de indruk van het gedicht ‘MRI scanner’, omdat daarin het thema hoofdingang op drie manieren terugkomt. Eiland op sterk water is wel zo’n hoofdingang naar een exacte, maar toch ook absurdistische wereld met een laagje religiositeit.
Lennert Ras, november 2009
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties