De titel maakt meteen korte metten met verwachtingen: geen cliché-romantiek bij Fierens. Die grote smerige vlinder blijkt, zo lezen we, op de deurmat te hebben gekakt, als de ‘ik’ na een angstwekkende ontmoeting met een Cycloop thuis komt. De ‘ik’ heeft, eenmaal thuis, zijn angst overwonnen, voor de Cycloop en voor zijn ware zelf, en is daarop ‘geiler dan een mof op oorlogspad’ geworden. Het huis is echter leeg, alleen, zo besluit het gedicht, heeft de vlinder heeft dus een spoor nagelaten.
Dat idee wordt nog versterkt door een promofilmpje dat op youtube staat, waarin de dichter ons laat zien dat de bundel inderdaad wel kan vliegen, gelijk een goede vlinder betaamt. Hangend aan een parachute-instructeur gaat Fierens met bundel en al de lucht in. Het is niet alleen melig, het is ook tekenend: dit is vermaak, met een weliswaar dunne, maar toch duidelijke betekenislaag: die van vormbewustzijn.
Fierens is niet opgenomen in de bloemlezing Ik ben een bijl van Harmens. Niet omdat de bundel nog niet uit was, want Harmens nam wel meer rauwe podiumdichters op die al we in het land actief waren. Misschien omdat Fierens te weinig over de wereld zelf schrijft.
Harmens stelt in zijn inleiding: ‘Ik wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze is geschreven. Ik wil dat de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh, het online slachten van immigranten op ouwejongenskrentenblog Geen Stijl en de rechtdoorzeeë duim omlaag in de richting van Ayaan Hirsi Ali, de hartproblemen van de directeuren van Fortis, de brandende banlieues van Parijs, het nekschot voor de rennende Braziliaan in de Londense metro, de olie op de kust van Galicië, de overtreffende trap van vaderliefde in een kelder in Oostenrijk, […] dat dat allemaal een stem krijgt in de woorden van dichters.
Dat doelt dient de rauwe toon van Fierens niet. Nu kun je als dichter al met je titel stellen dat je geen mooie lieve versjes wilt schrijven, en je daar dan aan houden. ‘Ik wil dat poëzie een consequentie is van de tijd waarin ze is geschreven,’ zegt Harmens. ‘In een wereld vol haat is het publiceren van liefdesgedichten een uiting van entertainment. Er is niks tegen entertainment, maar entertainment is geen kunstdiscipline. Entertainment is entertainment. Als we entertainment en literatuur op één hoop gaan gooien, ontstaat er branchevervaging. (blz. 8)’
Ergo: ook rauw entertainment ademt niet de wereld van nu, als ze er niet op reflecteert. Nou wil ik Harmens idealen niet tot norm verheffen, maar je kunt tegen Fierens inbrengen dat hij nu tussen wal (dames met parelkettingen –poëzie) en schip (Harmens’ oorlogstoon) valt. Maar is dat ook zo?
Er staan een boel gedichten in de bundel die het op het podium goed zullen doen, omdat ze loos gaan, of grappig zijn. Cafés en seks, geweld, drank, de wereld van de grote smerige vlinder vraagt erom eruit op te stijgen, zoals Dimitri Verhulst in ‘De helaasheid der dingen’ zijn milieu tracht te ontvluchten. Het laatste gedicht beschrijft hoe de ‘ik’ aankondigt dat zijn kater, na al deze dronkenschap, over 5 seconden zichzelf (en daarmee de ‘ik’) zal vernietigen.
Verheven is het allemaal niet, maar hé, dat had Fierens ook van te voren gezegd he? Hoever zijn we dan gekomen: een bundel die wel de toon aanslaat die nu blijkbaar gewenst is, die de lachers op de poetryslams en in de kroegen op zijn hand krijgt, maar die vooral vermaak is?
In alle gedichten is Fierens consequent in zijn vormbewustzijn. Neem ‘Roman’: ‘hij werd geboren / hij ging dood // genoeg / voor een / roman // was het / niet’. Wederom: flauw. Maar het uitstel wat een boek aan de handeling ontleent, zit hier in. Maar omdat alles verder weggelaten is, is het geen boek. Maar blijkbaar is het wel genoeg voor een gedicht, zo blijkt.
Onder die melige oppervlaktelaag, waarmee Fierens zijn publiek pakt, zit een andere laag, als een grote smerige vlinder in een pop. Een slot als ‘ik wou dat jij een zeehond was // dan kon ik op je knuppelen’ – een knipoog naar het beroemdste gedicht van Bomans zegt het helemaal: Fierens is de Bomans van nu. Een sterk stillist en een mooie nihilist. Proost.
© Hanz Mirck
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Vergeef me. Maar poëzierecensies, zoals hier door Mirck (een zeer verdienstelijk en precieus dichter) geschreven, maken me moedeloos. In het beste geval kun je zeggen dat Mirck poogt 'geen onzin' over zo'n debuutbundel te schrijven. Dat lijkt me dan meteen de voornaamste kwaliteit, want een focuspunt of structuur kan ik in zo'n schrijfsel niet ontdekken. Ik bedoel: waarom gaan uitleggen dat Andy Fierens niet in de bloemlezing 'Ik ben een bijl' is opgenomen? Waarom - in plaats daarvan - niet uitleggen dat hij de Faröer eilanden opvallend links laat liggen in zijn debuutbundel? Op zinsniveau is dit uitleggerige horkenproza ook nog eens abominabel. Als ik dit soort recensie lees, kan ik maar één ding bedenken om dit type stuk te produceren: een soort boekhoudersinstinct om over alles wat verschijnt IETS te melden. Ik zeg: schrijf iets DUIDELIJKS en HELDERS of houd je mond.
Geplaatst door: Hans van Willigenburg | 16-10-09 om 8:38
Ook een niet zwart-witte, voorgekauwde visie is er een, naamgenoot. Bovendien is het signaleren en aandacht vragen voor een debuut ook iets waard. En die uitwijding over Harmens is een bijdrage aan dat debat...
Geplaatst door: hanzmirck@planet.nl | 16-10-09 om 23:37
Naar aanleiding van de verwijzing naar "het beroemdste gedicht van Bomans" het volgende: Michel van der Plas nam het volgende rijmpje op in de door hem samengestelde bloemlezing 'Ongerijmde rijmen' (1954):
"Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemelijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was
dan kon ik samen spelen."
Hij zette er de naam van zijn vriend Godfried Bomans onder, maar gaf in 1978 toe dat hijzelf de schrijver was
geweest en zich had gebaseerd op een zin van de Oostenrijker Friedrich Torberg: "Ich möchte gern zwei Hunde sein und miteinander spielen."
Hans Krol (Heemstede)
Geplaatst door: Hans Krol | 18-10-09 om 15:18