Over: Gerrit Krol – De industrie geneest alle leed
Laatst las ik een recensie waarin de kwaliteit van de bundel werd afgemeten
aan de mate waarin de recensent ontroerd raakte. Je kunt je afvragen of dat een
belangrijk criterium is – en heel goed meetbaar is het ook niet. Gerrit Krol
zou er hoe dan ook niet heel hoog mee scoren. Sterker nog: hij is een
grootmeester in het ontwijken van de ontroering.
Hij won in 1991 de P.C.Hooftprijs, en schreef daar een hilarisch verhaal
over, dat begint zo: ‘Het was drie uur toen ik gebeld werd. Ik was niet thuis.’
De winnaar mist namelijk ergens een afslag en komt zo later dan voorzien thuis,
als hij eindelijk aan de lijn komt is hij alleen thuis en is er nauwelijks drank
om het te vieren. Uiteindelijk groeit het bericht in de pers tot een groot item
in het tien uur journaal: ‘Gerrit Krol heeft de P.C.Hooftprijs gewonnen. Die
ouwe koolraap, recht in beeld, dat is ‘m.’ Je kunt niet eens aanwijzen wie dat
laatste zegt: de (min of meer) alwetende verteller, Sacha de Boer, of die
nuchtere Groninger zelf.
In zijn gedichten zoekt hij die grens nog meer op en confronteert romantiek
met wetenschap, logica, spot. Een vroeg gedicht, November, gaat zo:
Er dringen geen geluiden door
het park staat in de regen.
het park staat in de regen.
Er komt vermoedelijk een vlek
waar het meisje heeft gelegen.
waar het meisje heeft gelegen.
Romantiek, verlangen, en een nuchtere constatering. In ‘wie in de leegte
van de middag zweeft’ komt dat terug maar nu al iets geraffineerder: de
verteller betrekt de lezer bij zijn afwegingen als spreker, en de logische
implicaties van zijn verhaal, tot kansberekingen aan toe. Het zelfde geldt voor
‘De kleur van Groningen en andere verhalen’; Krol zoekt klaarblijkelijk de
grenzen tussen proza en poëzie op. Soms door opsommingen van losse feiten tot
een geheel ontstaat dat groter is dan de som der delen, zoals in
‘Korreweg’:
Je weet het niet. Mijn moeders hoed misschien. Dat zij zo lachen
kon.
-om hem.
-om hem.
En dat zij, een grote strik in het haar, niet de vrouw wilde worden
van
een boer.
een boer.
Zomer 1933. Hun fietstocht naar Den Haag.
Dat ik nog niet was geboren.
Dat alles telt mee.
Die laatste poeticale/logische afweging zet alles in een ander licht.
Minder zoet en toch poetischer. Dat is waar Krol naar zoekt, lijkt het. Elke
keer weet hij het spanningsveld tussen die twee polen te vergroten. Die ouders
komen weer terug in ‘Weerzien’:
Zie mijn ouders,
hoe zij in hun windjacks op het strand
zich laten voortgaan op de wind,
mijn beide in leven zijnde ouders.
hoe zij daar slenteren, hij naar een schip in de verte wijst.
hoe zij in hun windjacks op het strand
zich laten voortgaan op de wind,
mijn beide in leven zijnde ouders.
hoe zij daar slenteren, hij naar een schip in de verte wijst.
Daar loopt zij die mijn moeder is geweest
op haar gemak, nootjes etend uit haar eigen hand,
alsof zij daar nog loopt.
op haar gemak, nootjes etend uit haar eigen hand,
alsof zij daar nog loopt.
Heel scherp neergezet is dit: je denkt: ‘die mijn moeder is geweest’?
Bedoelt hij dat ze dat niet meer is omdat hij nu zelfstandig en volwassen is? En
dan leidt hij je weer af met die eennalaatste zin. En dan: snap je het. En lees
je terug hoe de derde zin je al een teken gaf. En de vierde. Het middel dat Krol
gebruikt, steeds weer, is het concrete detail. Hier de nootjes. Soms wordt het
grotesk, zoals in ‘John Ax’ test’:
In een fauteuil zitten
met je mannelijkheid rechtop
en hard, kun je doen.
Daarop een vrouw zetten
die je liefhebt op de manier
dat ze erop past,
zodat ze zakt.
Er ontstaat door haar
benen in de juiste stand te zetten
een natuurlijke kom waarin je
een blik
uiensoep kunt legen die
daarin blijft staan
met je mannelijkheid rechtop
en hard, kun je doen.
Daarop een vrouw zetten
die je liefhebt op de manier
dat ze erop past,
zodat ze zakt.
Er ontstaat door haar
benen in de juiste stand te zetten
een natuurlijke kom waarin je
een blik
uiensoep kunt legen die
daarin blijft staan
als je stil bent –
daarentegen, als je
je beweegt, loopt
het onmiddellijk weg.
je beweegt, loopt
het onmiddellijk weg.
Syntactisch rammelt het met die soep, maar soit. Het poetisch hoogtepunt
zit ‘em in dat stil zijn. Waar stuurt dit gedicht op aan? Op de grap: uiensoep
over een vrouw die seks wil? Of de breekbaarheid van het moment? Gezien die
centraal geformuleerde frase is dat de crux. Maar de zwaarte van die observatie
wordt weggenomen door een Groningse knipoog.
Als het gaat over seksualiteit is daar als nuchtere man ook eer aan te
behalen zou je denken, als je de lachers op je hand wil krijgen. Het gedicht
‘Het schaamteloze meisje’ (zonder titel op de pagina, maar naast een foto van
een meisje dat glimlachend haar borsten toont):
Kijk naar het meisje
en kijk naar haar ogen.
en kijk naar haar ogen.
Is zij gelukkig?
Nee, ze is niet gelukkig.
Heeft ze verdriet?
Nee, ze heeft ook geen verdriet.
We hebben te maken met een dichterlijke blik, zoveel is zeker. Maar de
dichter eigent zich zonder argumentatie conclusies toe die de lezer niet kan
volgen: ze is niet gelukkig. Maar ze heeft ook geen verdriet. Ik kan dat niet
logischerwijze uit Krol’s zinnen halen, ik kan hem alleen maar volgen: de
dichterlijke blik die meer weet dat hij zegt, die weet wat mensen voelen, diep
weggestopt. En dat heel kalmpjes neerschrijft. De dichter als leraar, hoe
tongue-in-cheeck ook, die een hele wereld achter één zinnetje weet te vatten.
Niet om te ontroeren maar om het mysterie een beetje te begrijpen
Neem de titel van zijn, ter gelegenheid van zijn 75 verjaardag verschenen,
verzamelde gedichten, die je op zoveel manieren kunt lezen: letterlijk: het
menselijk bestaan wordt opgeleukt en verzacht door allerhande technische
verworvenheden.
Ondertussen is dat niet genoeg: ziedaar de zere plek waar Krol de vinger op
weet te leggen. De titel is ook poeticaal te lezen: de ‘industrie’ van het
schrijven (want waarom staat er anders een bepaald lidwoord voor?) werkt
louterend. Hier komt alles samen: Krol’s industrie is net als de concrete
industrie logisch, kil, mathematisch, zakelijk. Maar ook helder. En daarmee
wordt de werkelijkheid verteerbaar: pijnlijk, maar bevattelijk en niet te
pathetisch. Om met Krol te spreken:
wie niet waagt die knoeit,
wie schrijft die snijdt,
wie snijdt die bloeit.
wie schrijft die snijdt,
wie snijdt die bloeit.
© Hanz Mirck
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties