‘Can Flarf Ever Be Taken Seriously?’ Vraagt Shell Fischer zich af in een artikel op de site Poets &Writers (www.pw.org). Inleider en samensteller Ton van ’t Hof plaatst deze ‘stroming’ nadrukkelijk in een intellectuele traditie door haar als neo-dada te presenteren; een digitale variant op de collages van Kurt Schwitters. (Volgens Fischer is Flarf ontstaan doordat dichter Gary Sullivan ontdekte dat zijn grootvader in een truc van een uitgever was getrapt: die meldde hem dat hij met een (slecht) gedicht een wedstrijd gewonnen had, en na betaling van 50 dollar zou het in druk verschijnen. Sullivan begon die slechte gedichten rond te sturen in zijn vriendenkring en om snel een voorraad te creëren gebruikte hij google.)
De eerste Nederlandse flarfbundel heeft blijkbaar aanzienlijk meer pretenties, al wordt humor nog steeds als een belangrijke waarde genoemd. De vraag is: wat voegt de digitale variant toe aan het reeds door Schwitters geponeerde concept, waarin hij taal eerst terugbracht tot losse elementen (zoals hij dat ook in zijn beeld-collages deed) en daarna weer in nieuwe samenstellingen tot leven wekte? De flaptekst van de bundel benadrukt dat het internet een bron is voor zeer divers materiaal (meer nog dan de tijdschriften waar Schwitters zich van bediende). Maar maken die betere omstandigheden Flarf even sterk of zelfs een aemulatio van het werk van de oude dadaïst?
De kwaliteit van een flarfgedicht wordt uitgemaakt door de spanning die de nieuwe verbanden tussen de (her)gebruikte elementen oplevert, en uiteindelijk zijn de keuzes die de ‘auteur’ maakt daarin doorslaggevend, leert ons de inleiding verder. Het is jammer dat ik de gehanteerde zoektermen niet kan herleiden, want dat zou het proces en de waardering ervan objectiveren. Nu weet je als lezer niet wat er precies gedaan is met de vondsten en maakt alleen het etiket ‘Flarf’ onderscheid tussen een geschreven en een ‘geflarfd’ gedicht.
Moet ik het lezen zoals je naar een race met handicaps kijkt: hoe knap dit gewrocht is omdat er alleen gebruik gemaakt is van bestaand materiaal? Of moet ik er naar kijken als naar een gewoon gedicht? In het laatste geval zijn er losse eindjes, toevalligheden die je storend kunt vinden, neem bijvoorbeeld het gedicht 'Spamoorlog' van de meisjes van Willem Bongers:
Later ziet Richard dat twee illegalen meisjes
(April en De Natte Knaap zijn de centrale figuren)
houden van tango-dansen en Japans eten.
Duidelijk dat hier dingen bij elkaar zijn gezet die inderdaad
een verband aangaat wat onder spanning staat, op diverse vlakken: Italie en
Japans eten, wat heeft dat met elkaar van doen? Heet één van die meisjes De
Natte Knaap? (klinkt meer als de schuilnaam van iemand die op internet schermt
met zijn geslacht).
Verder wordt er op metaniveau over deze (of een andere) tekst gezegd wie de belangrijkste personages zijn, maar degene door wiens ogen we kijken (Richard) hoort daar niet bij. En ten slotte is er een syntactische ‘spanning’: ‘illegalen’ kan geen bijvoeglijk naamwoord zijn (want dan had er ‘illegale’ moeten staan), maar als het twee paspoortloze mensen zijn die als centrale figuren opereren en meisjes in gevangenschap houden, dan past ‘van tango-dansen’ niet bij het werkwoord ‘houden’.
Als dit bewust zo is gedaan wordt er gespeeld met de verwachtingen van de lezer die al lezende steeds een andere syntaxis moet aannemen. Helemaal aan het slot van het lange, nogal uitdijende gedicht komt de langverwachte link met de titel: ‘Spamoorlog legt 10 miljoen meisjes plat.’ Alles wat verder in het gedicht voorkomt houdt geen verband met titel of slotzin. Het komt daarmee, hoe grappig ook, tamelijk toevallig op me over. Heeft de gebruikte techniek het gedicht daarmee vooruit geholpen?
Opvallend is dat het internet als topos wel steeds terugkomt, en dat je als lezer dus weet dat er internet de wereld is waarin de gedichten ontstonden. Soms impliciet: zingende vensters, films, het zwarte gat, opgeslagen foto’s, tot expliciet: het aanmaken van een forum aanmaken, en… jawel: een flarf gemaakt van flarfgedichten. Het doet me denken aan de discussie over slechte autobiografische boeken: echt gebeurd is geen excuus. Echt geflarfd maakt nog geen zomer. Met alle respect voor de dichters, die iets nieuws onderzochten.
Maar ik vind het gros van deze gedichten te wijdlopig, zoals je een meubelstuk maakt van gevonden hout: het vraagt om een verdomd goeie kunstenaar (Piet Hein Eek) om te vergeten dat je ook gewoon zelf een mooie soort hout op maat kunt kopen. Ik vind het amusant om te lezen hoe dingen die niet met de grote lijn van een gedicht te maken hebben gaan meeklinken in het geheel, maar de pretentie van de inleiding wordt niet echt waargemaakt.
De reeks die Nanne Nauta bijdroeg is sterk, neem bijvoorbeeld het gedicht 'On-zijn III: onwil': ‘hoe kom ik ooit tot Thaise meisjes bekeerd? / Via het pad van Boeddha liefde installeren?// Vandaag wel, want ik heb besloten dat vandaag / alles redelijk is onderworpen aan dood en verval, als vernietigers van mijn identiteit. (…) Degenen die er waren, wilden niet meer weg. // Zoals misschien al bekend vertok ik toch. / De klap hoorde je tot in Arkel aan toe.’
In de reeks komen een aantal elementen steeds terug, zo stuurt Nauta de toevalligheden bij tot meer samenhang. Arkel krijgt een extra betekenis alsof er een verband bestaat tussen de plek waar de ik is en Arkel, (en je neemt aan dat dat heel ver weg is, waardoor deze plaatsnaam bijdraagt aan het begrip hoe hard de klap was), maar dat verband is voor de lezer niet vast te stellen; Arkel is een goed ingezette toevalligheid in het gedicht. Jammer dat in de andere gedichten steeds deze truc voorbijkomt; ‘je kunt over een gebeurtenis in je leven schrijven / of over een nieuwe woonwijk in Gorchem.’ Of: ‘Ik doe het af en toe eens in de bioscoop in Gorcum.’ Je weet dat die plaatsnaam bij wijze van spreken is, en daarom wordt het grappig.
Al met al spitst de vraag of Flarf serieus genomen moet worden zich toe tot de vraag: dragen toevalligheden bij tot een rijker, scherper, beter gedicht? Natuurlijk kom je op dingen die je niet bedacht kunt hebben, maar is dat daarmee beter? De raadselachtigheid van sommige verbanden is spannend, maar eigenlijk is dat vaak gebakken lucht. Zoals Annie M.G.Schmidt hoogst originele dingen schreef omdat de rijmwoorden haar op leuke invallen brachten, kan de flarftechniek je ook tot nieuwe dingen brengen. Mij persoonlijk interesseert het geen biet hoe een gedicht tot stand kwam – als het maar goed is! De vraag stellen is haar beantwoorden: zo gauw er een meesterlijk gedicht geflarfd wordt, nemen we dat gedicht serieus.
© Hanz Mirck
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
"Mij persoonlijk interesseert het geen biet hoe een gedicht tot stand kwam – als het maar goed is! "
Dat is de kern van de formalistische houding in de poëziekritiek, die deze recensie doordringt. Is het "goed"? Hangt Het Samen? Maar niet: welke is de wereld van deze gedichten?
Zo lezen mag natuurlijk, elke vorm van lezen "mag", maar het m.i. is een gemiste kans. Ik vind het productiever en spannender en ook kritischer om Flarf niet te lezen als een genre of techniek maar als een houding, inderdaad in de stamboom van de avantgarde, maar wel in een incarnatie van nu, die iets zegt over nu; en dat is iets wat je met een formalistische leeshouding probleemloos onder het tapijt kunt vegen.
Neem nou een frase als deze:
"Al met al spitst de vraag of Flarf serieus genomen moet worden zich toe tot de vraag: dragen toevalligheden bij tot een rijker, scherper, beter gedicht?"
NEE! De vraag is: wat betekent het dat er een poëzierichting is opgestaan die vanuit de google-ervaring tot een poëzie wenst te komen die op bijkans militante wijze in het geheel NIET "serieus" genomen wenst te worden? Wat maakt het dan nog uit of een gedicht "rijk, scherp, goed" is? Of zelfs, wat betekenen vage kritiek-begrippen als "rijk, scherp, goed" dan nog helemaal?
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 5-8-09 om 0:58
Ik sluit me wel aan bij de opmerkingen van Samuel - ze voeren tot een kritischer onderzoek van flarf en van poëzie als zodanig dan een evaluatie op grond van criteria die niet aan het gedicht zijn ontleend - het 'rijke, scherpe, goede' - ooit voor elkaar kan krijgen - maar ik vraag me wel af of flarf nou inderdaad niet serieus genomen wenst te worden. Ik ben geen flarfer, maar ik heb wel een bepaald belang bij poëzie en ik neem flarf wel degelijk serieus, zelfs zodanig dat ik een dergelijke claim eigenlijk niet accepteer, ook van flarfers niet. De reden is dat er in flarf dingen gebeuren die het belang van flarf te buiten gaan.
Om een voorbeeld te geven: in een aantal citaten in zijn stuk slaat Mirck bepaalde regels over. Het is mijn indruk dat dat bij flarf vrijwel niet kan. De willekeur waarmee flarfgedichten tot stand komen - of pretenderen tot stand te komen - wordt door willekeurig citeren vrijwel ongedaan gemaakt: in het citaat wordt een lijn gelegd van a naar c, terwijl het de flarfdichter juist ook om b gaat - een plek die de lijn a-c problematiseert. Zulke citaten suggereren een coherentie waar flarf juist weerstand tegen biedt. Geen inlegkunde, geen kritiek die de tekst reduceert tot iets wat het niet gewild heeft. Het lijkt me dat flarf mede is voortgekomen uit verzet tegen die dwangbehoefte.
Interessant vind ik wel Mircks vergelijking van flarf met de vondsten van Annie M.G. Schmidt - hoewel je voor voorbeelden van de heuristische waarde van rijm bepaald niet alleen bij haar te rade hoeft te gaan. Het merkwaardige is natuurlijk dat het bij flarf niet de klank is die nieuwe vondsten provoceert, maar de gedachte - het element dus, dat de discontinuïteit (zie boven) juist bevordert.
Dat zijn allemaal heel belangwekkende dingen, en met het oog daarop maakt de bewering dat flarf niet serieus genomen wil worden een wat kokette indruk.
Geplaatst door: RHCdG | 5-8-09 om 2:45
Zeer terecht,dat je me op formalisme betrapt, Samuel. En wellicht, RHCdG, kun je Flarf niet samenvatten (zoals ik in mijn bespreking van Kregtings laatste bundel ook stelde) - dat geldt voor alle goede kunst, of het nu coherent of dadaistisch is. Ik heb in mijn stuk gepoogd de vraag te beantwoorden of Flarf serieus genomen kan worden, ervan uitgaande dat ze dat wil, anders was het inderdaad een kokette gimmick. Het punt is dat Flarf doet alsof ze poëzie is, in de regelafbreking, in de presentatie in bundels en voordracht, etc. (Het is pijnlijk als je iets langs de verkeerde meetlat legt, dat weet ik uit eigen ervaring: Elsbeth Etty benaderde mijn eerste boek Het godsgeschenk als een roman, terwijl dat nergens wordt geclaimd.)En zoals ik ook heb geprobeerd aan te geven, wordt er wel gestreefd naar coherentie. Als je een schaal maakt waarop iets afgezet kan worden tussen coherent en dadaistisch in, komt Flarf ergens in het midden uit, want er staat geen volkomen onzin - een grammaticale onjuistheid valt op, is geen duidelijk doel. En waar op die schaalverdeling een kunstwerk ook kan of wil staan: het gaat erom hoe precies je daarin bent. Ik beoordeel kunst naar de manier waarop ze haar doel probeert te bereiken. Als Flarf geen gedicht wil zijn, is ze in die opzet niet echt geslaagd. Nada Gordon (die naam!) maakt een onduidelijk onderscheid tussen goede en memorabele gedichten, maar ze heeft een punt: waar Flarf extreem wil zijn, en zicht onttrekt aan de geldende maatstaven, en mij met mijn mond vol tanden achterlaat, daar wordt het spannend.
Geplaatst door: Hanz Mirck | 5-8-09 om 9:17
"Het punt is dat Flarf doet alsof ze poëzie is [...]."
"Als Flarf geen gedicht wil zijn, is ze in die opzet niet echt geslaagd."
Het lijkt wel of flarf voor jou één grote pose is.
(en misschien is ze dat ook: de houding waarnaar Samuel refereert)
Geplaatst door: sven staelens | 5-8-09 om 9:44
Ik zei 'als' he, ik weet het ook niet, ik tast de mogelijkheden alleen af.
Geplaatst door: Hanz Mirck | 5-8-09 om 10:13
Nog even een kleine toevoeging: ik zei dat bij flarf de 'gedachte' de voortgang van het gedicht bepaalt, maar wat is een gedachte? IJdel gezwets, meestal.
Niet de gedachte, maar de regel - of regels - bepalen de voortgang, althans de volgorde van het gedicht. Nog preciezer: de prosodische eenheid, die eventueel een hele strofe kan beslaan.
Dat duidt nog niet op een 'streven naar coherentie', Hanz. *Wij*, lezers, critici, streven naar coherentie, om onze interpretatie sluitend te maken. Flarf verzet zich tegen dergelijke aanhangsels en eist zijn eigen rechten op. Ook daaraan kun je zien dat het hier ten volle om poëzie gaat.
Geplaatst door: RHCdG | 5-8-09 om 11:58
Dat vind ik er ook heel boeiend aan, dat het zich tussen toevalligheid en coherentie in beweegt en een nieuwe benadering vraagt. Ton van t Hof zegt in zijn inleiding dat de collagemaker de belangrijke keuzes maakt. Maar als een flarftekst dan op mij overkomt als willekeur, als iets onbestuurbaars waarin het niet uit lijkt te maken wie het gemaakt heeft, zegt dat dan aleen iets over mij?
Geplaatst door: Hanz Mirck | 5-8-09 om 12:30
Hanz: toen ik je houding in je bespreking "formalistisch" noemde, dacht ik niet aan een leeshouding die van de bedoeling van de poëzie uitgaat of probeert op te sporen. Eerder dat je criteria leek te hanteren die misschien beter bij andere poëzie passen. Samenhang, scherpte (als tegendeel van de door jouw gesignaleerde "wijdlopigheid"), en je interpretatie van toevalligheid komen volgens mij niet tot de kern van de zaak hier.
Specifiek doelde ik er op dat het je geen biet interesseert hoe een gedicht tot stand kwam. Maar mijns inziens is werkwijze een deel van de context van het gedicht, van de maatschappelijke context, en dus van de inhoud. Als een gedicht op Google is gebaseerd en dat weet je als lezer, dan kun je er niet om heen dat dat gedicht ten dele ook over Google gaat. Dan kun je zo'n gedicht niet met goed fatsoen op dezelfde manier lezen als je een druilgedicht van Bloem over hoe erg het is om niet dood te gaan in November leest.
Bijvoorbeeld, als je willekeur ervaart bij zo'n tekst, iets "onbestuurbaars", dan is dat iets om over te reflecteren. Wellicht is zulke willekeur wel een wezenlijk element bij dit soort poëzie, en misschien - wie weet? - zelfs op een of andere manier positief te waarderen.
Terzijde, de reden van de verwarring zou nog wel eens kunnen zijn dat de gedichten in de Nederlandse flarf-bundel misschien juist niet wijdlopig genoeg zijn. Op mij maakte de Nederlandse flarf-bundel, hoewel hij zeker sterke teksten en cycli bevat, dan ook als geheel een wat bescheiden indruk.
De Amerikaanse flarf-vormen zijn regelmatig bizar en exuberant, en bevatten véél en véél te veel. Maar dat hoort bij die poëzie. Daarentegen viel me bij de Nederlandse flarf juist een voorkeur voor compacte, strakke vormen op - je hebt zelfs sonnettenreeksen! Dat wijst terug naar een verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse tradities: de hele Amerikaanse poëzie neigt naar grotere formele exuberantie dan de Nederlandse; en dat geldt voor zowel traditioneel als experimenteel werk.
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 5-8-09 om 18:11
Hee, deze staat onder de verkeerde draad... excuses!
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 5-8-09 om 18:27