De kern van kunst is dat de beschrijving ervan nooit kan uitdrukken wat het kunstwerk werkelijk behelst. Dat zou een wetenschapper kunnen verzuchten, en een dichter kunnen doen grijzen. Is Mark Kregting zo’n dichter?
Zijn nieuwste bundel heet Zoem! Evoluties. Dat kun je lezen als een aansporing: lezer, doe zoals ik, maak geluid, zing zonder verstaanbare betekenis! Maar ook als een provocatie: ik roep iets, gewoon omdat ik zo in elkaar zit. Ben je dan een bij? De vergelijking met bloemlezen, het verzamelen van (al dan niet hoger) honing dringt zich op. Onze verwachtingen nemen toe.
Eenmaal binnen krijgen we nog een motto: ‘O om te proeven van uw zuren, / al wat rinsch in uw binnest hing,’ een citaat van J. H Leopold. Meteen al een frictie tussen de bij die het zoete zoekt en het zuur wat in iemand zit ‘en eruit moet’ zoals je dat zegt. Nu moet je weten dat ‘rins(ch)’ ook ‘zuur’ betekent, dus de oude Leopold zegt: het zuur dat zuur in je binnenste zit. Ik weet zeker dat Kregting al om deze aaneenschakeling tegenstellingen, deze evolutie van absurditeit, onder de tafel ligt van het lachen. Hoe weet je dat zo zeker, vraagt u?
Nemen we het eerste gedicht. (Alle gedichten in Kregtings tiende boek zijn typografisch als blokken uitgevuld.)
- Menigten drommen pakken samen.
Een schervenglinstering belet elk zwaaien van
De dubio dignitatis, iets wat je echter al wist.
Dan maar in conclaaf met de libido die niet
Onzijdig worden wil. (…)
Alleen al die eerste zin: wat staat daar? Kregting gebruikt in de derde regel een komma, blijkbaar hoort die niet in de eerste regel. Dan hebben we blijkbaar niet te maken met twee persoonsvormen achter elkaar (drommen en pakken) en gaat het dus om pakken als doosjes? Of maat- dan wel confectiepakken? Die worden verkreukelt door de massa? Waar die (onheilspellende) scherven vandaan komen weet ik niet, ik spreek geen Latijn maar denk dat ‘de dubio dignitatis’ twijfel aan de waardigheid betekent. Dat past dan weer bij de bruuske omgang met de nette pakken. De spreker in het gedicht vestigt dan onze aandacht op iets wat misschien nieuw licht op de zaak kan werpen: een libido (als persoon) die niet onzijdig worden wil. Logisch: juist in de uiting van het geslacht uit zich het libido. Wederom een soort pleonasme dus. Maar wat ik wel kan koppelen is dat de menigte zijn waardigheid verliest onder invloed van het libido. Daarna evolueert, om de aankondiging in de bundeltitel te volgen, het gedicht zich tamelijk onnavolgbaar:
(…) Je slaat op haar met een
plastic zak, waarin je voor de gelegenheid je
hoofd verborgen hebt. Daarna bestel je koel
en loslippig een grande Sugar Free Alpacino
Vanilla Skim Latte. De strijders beleggen weer
een vergadering. Hopelijk zijn er broodjes bij,
Hier zie je hoe Kregting met woorden speelt: ‘libido’ is manlijk, eerst gebruikte hij het al in een onzijdige vorm, en nu in een vrouwelijke vorm. De mens valt blijkbaar samen met het libido; een mens, een libido. En dan dat wat er besteld wordt: niks dan taalspel, een koffie vernoemd naar een acteur die een maffiakopstuk speelde, een woord wat met misdaad (het stelen van gegevens van bankpasjes) te maken heeft. Daarna nog een talige associatie: ‘beleggen’ in vier betekenissen: op de manier van strijders (een kasteel omsingelen), het initiëren van een vergadering, in financiële zin en, ja hoor, ook letterlijk: met broodjes. En verder gaat het:
per halfuur verzorgd opgetast door de bonden.
Jean heeft een lange snor, zijn schoonmoeder
is homo. Het is de vraag wat je in hen voor een
maat ziet. Daartoe maak je de passeerbeweging
met bal. Er is een ongenoemd blijvende iemand
die nu eenmaal zijn dagelijkse Porsche moet.
(Met de regel wordt het taalspel meliger, vindt u niet?)
Gun dat, gun dat, goal. Niet elke eend is een
Citroen. Laat dat nu, wolkenkind, en ga eindelijk
Verticaal klasseren. Zaad is gewoon dik bloed
Zonder factoren, weet je nog. Voor het kielgat.
(Ook de freudiaanse associaties worden niet geschuwd, tussen de klankcomposities (‘gun dat, gun dat, goal (…) Laat dat’) Je vraagt je af hoe dit uitdijende gedicht tot een slot moet komen, maar daar is het wondermiddel:)
Je opent een tube componentenlijm bij het
reglement van internen, terwijl je glas knaagt –
Een duidelijk slot en toch niet: ik kan het niet helpen maar ik koppel dat ‘internen’ weer aan het motto van Leopold en de innerlijke regels van dit gedicht, dat zichzelf voortstuwt in associaties en opvolgingen in beeld, betekenis en klank. Dat glas aan het slot begrijp ik niet (of het zou een variant op tandenknarsen moeten zijn) maar het sluit wel de in de lucht hangende schervenglinstering van tweede regel af. Geen logische wetten zijn hier het reglement, maar onderliggende structuren. Kregting wil niet echt iets beweren, hij toont ons een levend organisme van humor en venijn en voedt onze hersenen daarmee.
Ik lees veel dingen over de huidige maatschappij, zonder dat er een oordeel mee wordt uitgesproken, maar daar gaat het ook niet om. Het gedicht is autonoom, omdat het in zichzelf groeit, en tegelijk autonoom omdat het de wereld ook weerspiegelt. Het gaat het begrip te boven en toch kan ik het wel ongeveer volgen. Zoals de dwaze bij zingt, omdat dat hoort bij zijn manier van voortgaan in de wereld, lijkt Kregting zijn dichterlijke instinct te volgen en niet zijn ratio. Maar zoals ik al zei: echte kunst laat zich niet samenvatten. Eén gedicht per dag lezen, anders wordt het teveel honing, of teveel angel.
Hanz Mirck
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties