Miltos Sachtouris (1919-2005) werd geboren in Athene. Hij wordt beschouwd als een van de toonaangevende Griekse dichters uit de 20e eeuw. Op aandringen van zijn vader ging hij rechten studeren, maar nadat deze in 1939 was overleden gaf hij de studie op om zich geheel aan de dichtkunst te wijden. Zijn poëzie is verschillende malen bekroond. In 1962 met de Tweede Nationale Poëzieprijs van Griekenland, in 1987 met de Eerste Nationale Poëzieprijs, terwijl hij in 1995 geridderd werd in de Orde van de Phoenix. Tenslotte werd zijn gehele oeuvre in 2003 bekroond met de Grote Staatsprijs voor Literatuur, te vergelijken met de P.C. Hooftprijs in Nederland. In ons land werd hij bekend door Het hoofd van de dichter, een selectie uit zijn werk vertaald door Bernadette Wildenburg en Jan Veenstra, die in 1993 werd uitgegeven door Styx Publications in Groningen. Het fonds van die uitgeverij is overgenomen door Ta Grammata, alwaar het boek nog kan worden besteld. De hier opgenomen gedichten zijn afkomstig uit die (tweetalige) publicatie. (Kees Klok)
DE VERLOSSER
Op de vingers van mijn afgehakte handen tel ik
de uren die ik ronddool in deze vertrekken van de wind
ik heb geen andere handen mijn liefste en de deuren
willen niet dicht en de honden zijn onvermurwbaar
Met mijn blote voeten diep in dit stinkende water
met mijn naakte hart zoek ik (niet voor mijzelf)
een azuurblauw raam
hoe konden ze zoveel kamers bouwen zoveel tragische boeken
zonder een kiertje licht
zonder een vleugje zuurstof
voor de zieke lezer
Want elke kamer is tegelijk een open wond
hoe moet ik opnieuw afdalen langs trappen die verbrokkelen
opnieuw temidden van het slijk en van de wilde honden
om medicijnen te halen en roze verband
en als ik de apotheek gesloten aantref
en als ik de apotheker gestorven aantref
en als ik mijn naakte hart aantref in de etalage van de apotheek
Nee nee afgelopen er is geen redding
De kamers zullen blijven zoals ze zíjn
met de wind en zijn riet
met de scherven van de kermende gezichten van glas
met hun kleurloze bloeding
met porseleinen handen die zich naar mij uitstrekken
met de onvergeeflijke vergetelheid
Mijn eigen handen van vlees zijn vergeten dat ze waren afgehakt
op het moment dat ik hun doodsnood telde
CARNAVAL
Ver weg in een ándere wereld vond het plaats
dit carnaval
het ezeltje dwaalde door de verlaten straten
waar niemand ademde
gestorven kinderen stegen aldoor ten hemel
kwamen even terug om hun vliegers op te halen
die ze vergeten waren
er viel sneeuw confetti van glas
verwondde de harten
een wouw geknield
verdraaide haar ogen als een dode
er kwamen alleen colonnes soldaten voorbij links-twee
links-twee met ijskoude tanden
's Avonds kwam de maan op
carnavalesk
vol haat
men bond haar vast en gooide haar in zee
met messen doorstoken
Ver weg in een ándere wereld vond het plaats
dit carnaval
PETRUS
Wat een kannibalisme weer deze Lente
bloemen hebben de bijen verslonden
valken hebben de ingewanden van vogels uitgepikt
de roos is moederziel alleen achtergebleven
en het viooltje heeft zich als begrafenis ontpopt
Ik heb geen andere bloemen meer om voor je mee te brengen
maar op een dag zal ik de grote tuinman zijn
ik plant ik zal snoeien besproeien
mijn huis zal boven op een wolk staan
mijn dromen zal ik doen ontvlammen met de zon
Vandaag ben ik nog een loods
medeplichtig aan het slijk de citroenen
de vaten in het water van de haven
ik drijf de sirene tot waanzin zaai mijn bloed
ik draag een stenen bril en mijn naam is Petrus
DE GESCHENKEN
Vandaag heb ik een
warm rood bloed aangetrokken
vandaag hebben de mensen mij lief
een vrouw lachte mij toe
een meisje gaf me een schelp
een jongen gaf me een hamer
Vandaag kniel ik op het trottoir
ik spijker aan de tegels
de naakte witte voeten van de voorbijgangers
allen zijn in tranen
maar niemand schrikt
allen zijn blijven staan waar ik ze heb aangetrofen
allen zijn in tranen
maar ze kijken naar de luchtreclames
en naar een bedelares die broodjes verkoopt
in de lucht
Twee mensen fluisteren
wat doet hij spijkert hij ons hart vast?
ja hij spijkert ons hart vast
dan is hij dus een dichter
DE DICHTER-SOLDAAT
Ik heb geen gedichten geschreven
temidden van geknal
temidden van geknal
is mijn leven voortgerold
De ene dag sidderde ik
de andere dag huiverde ik
temidden van angst
temidden van angst
is mijn leven voorbijgegaan
Ik heb geen gedichten geschreven
ik heb geen gedichten geschreven
ik nagel slechts
kruisen
op zerken
DE LETTERS
Ik hou maar op met gedichten schrijven
je wierp je gouden ring in de zee
in het zand met de dode schedel
en alle vergane schepen doken op uit het schuim
en de kapitein levend en wel
en de bootslieden met een glimlach
ik zei ik hou maar op met gedichten schrijven
en voor het raam van mijn voorouderlijk huis
staan mijn vader en mijn moeder
ze wuiven met hun zakdoek en groeten
mijn gedichten echter hebben ze níet kunnen lezen
ze zijn het lezen verleerd
ze noemen de k een a en de d een e
en jij hebt tegen mij gelogen
daar bij die rode lachende schedel heb je me bedrogen
daarom heb ik ook jou bedrogen
en jullie hebben me geloofd
vloek met de zeven schaduwen
ik zal altijd gedichten schrijven
Miltos Sachtouris
Vertaling: Bernadette Wildenburg & Jan Veenstra
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties