Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Miltos Sachtouris | Hoofdmenu | Oom Atte in het boze blogland: aflevering 1 »

09 juli 2009

Het eerste gedicht (7): Juliën Holtrigter

Onlangs verscheen de nieuwe bundel van Juliën Holtrigter, Het feest van de schemer. De auteur stond laatst al een mini-interview af aan deze website. Vandaag neem ik hem op als nummer 7 van deze reeks; ik had dit getal eerder abusievelijk overgeslagen.

Vinger op strot

Dit zijn die dagen waarvan de uren vervloeien.
Herberg De Zweep. Aan het plafond stukken vlees,

zwart van de vliegen. Uit rotte eitjes en wijting
bestaat het ontbijt. Ik laat het mij smaken.

Kijk, daar loopt onze vader. Hij is naar huis
onderweg om te schrijven. Nog meer alinea ‘s,

bladzijden, hoofdstukken, boeken. En terecht,
hij heeft nog niet alles gezegd.                     

De afvoer van vuilnis gaat door, elke week,
vanzelfsprekend. Er komt geen eind aan.

Maar ook het ondoofbaar licht loopt de zee in,
vol vreugde bergafwaarts, geloof het!

Met u in een nachttrein samen te zingen. Ja,
zegt de waard, vinger op strot, hoofd vol van zomer!

© Juliën Holtrigter

Apart, die eerste regels. We zijn in een Russische roman uit de negentiende eeuw, waarin de uren vervloeien. De setting: Herberg De Zweep, een naam die niet bepaald doet denken aan zachtzinnige bijeenkomsten. Associaties met drinkgelagen en braspartijen dringen zich op.

En wat je daar allemaal ziet! "Aan het plafond stukken vlees, // zwart van de vliegen." Dat zijn geen fijne gedroogde hammen. Dat is rotzooi. Viezigheid. Dat is iets voor een ander land, waar onze warenwet niet geldt. Ik zou er meteen een kijkje willen nemen, al moet ik zeggen dat ik het ontbijtbuffet zou overslaan.

"Uit rotte eitjes en wijting / bestaat het ontbijt." Ik heb een zwakke maag, of beter: een gammele slokdarm, dus dat kan ik niet verdragen. Holtrigter denkt daar anders over, blijkbaar: "Ik laat het mij smaken."

Dan volgen twee huiveringwekkend mooie strofes, waarin Holtrigter het perspectief verlegt:

Kijk, daar loopt onze vader. Hij is naar huis
onderweg om te schrijven. Nog meer alinea ‘s,

bladzijden, hoofdstukken, boeken. En terecht,
hij heeft nog niet alles gezegd.  


Waarom weet ik niet, maar ik vind dat mooi. Om de vermenging van "onze vader" met "schrijven", zeker, iets wat - ook - een hele resem religieuze associaties oproept, maar vooral omdat ik ineens gewoon een vader voor me zie, onderweg naar huis, om te schrijven.

Op de een of andere manier denk ik dat die vader dood is en dat Herberg De Zweep misschien wel het ondermaanse is, waar het vergankelijke vlees moet wachten op de verlossing van de dood. Maar wellicht ga ik dan te kort door de bocht.

Hoewel. "De afvoer van vuilnis gaat door, elke week, / vanzelfsprekend. Er komt geen eind aan."De eeuwige wederkeer van de vuilnisophaal, dat kan bijna alleen maar een beeld zijn om de dagelijkse gang van zaken in te vatten.

"Maar ook het ondoofbaar licht loopt de zee in, / vol vreugde bergafwaarts, geloof het!" Religieuze poëzie is altijd problematisch, omdat zij religieus is. Toch is dit niet alleen een uiting van religie, het is eerder een animistische uitroep. 

In het vakblad voor christenen, Het Nederlands Dagblad, merkte men over Holtrigters eerdere werk op: "Holtrigter schrijft poëzie die naar de hemel haakt, maar tegelijk de aarde trouw wil blijven." Dat lijkt me mooi omschreven, en gaat ook hier op: het licht dat niet alleen van boven komt en wordt weerkaatst, maar ook verdwijnt, de zee in, de berg af.

In de slotstrofe keren we terug naar de herberg, althans, naar de waard die de herberg bestiert, maar eerst krijgen we nog een keer een perspectiefwisseling: "Met u in een nachttrein samen te zingen. Ja, / zegt de waard, vinger op strot, hoofd vol van zomer!"

Met wie te zingen? Met de vader, of de Vader? Met allebei? Te zingen in het licht? En waarom in de nachttrein. Het is geen zingen dat gemakkelijk gaat, met de vinger op de strot (alsof er een gat in zit, ontstaan na een keelaandoening, die het spreken onmogelijk maakt?); maar het hoofd zit vol van zomer, dat wel.

Holtrigter schrijft poëzie die grimmig is, en religieus, en optimistisch. En hij debuteerde in 2001. Een ideale aanvulling voor de bloemlezing Ik ben een bijl - waar hij niet instaat, vreemd genoeg.

Reacties

Emma Burns

Zohee. Wat een mooi gedicht. Tot in de uitroeptekens.

Gert de Jager

Helemaal mee eens.

Ik vertrouw die waard niet helemaal. Een cynisch heerschap volgens mij dat niet zoveel opheeft met zingen in de nachttrein. Al was het alleen al omdat het hem zijn cliëntèle kost.

Zou 'vinger op strot' niet op iets wurgends kunnen duiden dat iemand met zijn hoofd vol van zomer ontkent?

M.H.Benders


Wat is dat toch een vreemd fenomeen, die menselijke smaak.

Maarten Das

"Religieuze poëzie is altijd problematisch, omdat zij religieus is."

:)

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...