Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Morgen begin Nijhoff Centraal in Utrecht | Hoofdmenu | Wilmink per trein »

13 mei 2009

Peeters over Vaessens

"Een populist laat zich niets vertellen. Een populist weet hoe alles zit, daar heeft hij anderen niet voor nodig, die willen toch alleen maar macht uitoefenen en voorschrijven wat hij moet vinden en denken. In zijn boek De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement ontpopt Thomas Vaessens zich als een literair populist: boeken mogen niet meer geschreven worden vanuit het idee dat ze het niveau van literatuur moeten halen, schrijvers moeten zich naar de wensen van het publiek richten en geëngageerd zijn. Elk boek moet door iedereen gelezen kunnen worden, het moet realistisch zijn, het moet mainstream zijn, en beslist niet, zoals Vaessens schrijft, voor ‘een handjevol connaisseurs’."

Carel Peeters schrijft meestal kortere columns, maar nu is hij er eens lekker voor gaan zitten. En schrijft hij eens precies op wat hem aan het boek van Vaessens dwarszit. In Vrij Nederland >>

Reacties

Samuel Vriezen

En weer blijkt het verdomd makkelijk om het boek af te serveren, meer op basis van het beeld dat er van heerst dan de stelling die het probeert te presenteren. Het centrale theoretische model van Vaessens (dat er sprake is van modernisme, postmodernisme en laatpostmodernisme) wordt gewoon als 'dieventaaltje' onschadelijk gemaakt. Tja. Als je als criticus op zo'n manier omgaat met het kernidee van een boek dan ben je inderdaad wel lekker snel klaar.

De stellingen van de hierboven geciteerde openingsalinea, dat boeken "niet meer geschreven [mogen] worden vanuit het idee dat ze het niveau van literatuur moeten halen" en dat "[e]lk boek [...] door iedereen gelezen [moet] kunnen worden", kan ik me trouwens niet herinneren te hebben gelezen in het boek.

Hans van Willigenburg

Grappig. Ik lees het azijnstuk van meneer Peeters in de eerste plaats als een verdedigingsrede van Vrij Nederland zèlf, het blad dat sinds mensenheugenis de politiek (en de literatuur) uitlegt aan de hand van een telefoonklapper van Vrienden & Bekenden (hoeveel strekkende meters interview Felix Rottenberg heb ik in de jaren '80 en '90 wel niet gelezen?). Hoe dan ook is het Vaessens kennelijk gelukt een steen in de vijver te gooien - maar, o jee, dat zal wel weer een populistische denktrant zijn'om 'm daaree te complimenteren.

hanz mirck

Die tweedeling die Vaessens signaleert, bestaat natuurlijk wel, en daar moet de literatuur ook iets mee. Maar het is de vraag of hij ons de goede weg wijst. De boeken die tegenwoordig scoren, zijn platte amusementswerkjes, bekend van radio en TV, inderdaad voor iedereen leesbaar. Maar ze hollen het begrip literatuur in die zin uit, dat mensen nu denken dat een boek iets is wat je één keer, al zappend en tijdens het eten leest en dan is het klaar. Eigenlijk is een boek best duur amusement dat zich wreekt bij verhuizingen. Maar volgens mij is een echt boek iets wat uitdaagt, en wat je leven verandert, en wat je bewaren wil omdat je het ooit nog eens wilt lezen, om dan te merken dat het boek met je meegegroeid is en je er weer nieuwe inzichten uit kunt halen. Volgens mij moeten auteurs dat gaan bewijzen, voor het boek het verliest van youtube.

Hans van Willigenburg

Ik ben het helemaal eens met Hanz Mirck als het gaat over de 'ideale' functie en werking van literatuur. Maar in het woord 'ideaal' zit de minderheidspositie al verweven; jarenlang heeft een kleine goegemeente al het andere genegeerd of afgebroken dat niet aan haar standaard voldeed. Die tijd is, gewoonweg, voorbij.

Willem Bongers

Beste Hans Mirck, heb je nu heus Vaessens' boek GELEZEN, als in: niet zo maar een meninkje bijeen gezapt uit interviews en salonfähige pseudoboutades van andere zappers? Welke TWEEdeling bedoel je? En vooral: als er toch iets op het spel staat in Vaessens' boek, dan is het dat er iets op het spel staat (moet staan) in de (laatpostmoderne) literatuur en is een echt boek wel degelijk iets 'wat uitdaagt' (zonder daarbij echo's te horen van flitsende yorindames die ons óók, maar toch op een andere manier, uitdaagden).

hanz mirck

In elk geval las ik het beter dan jij mijn naam, maar dat terzijde ;-) De tweedeling tussen kunst om de kunst en geangageerde kunst natuurlijk. Die uitdagingen die je nu noemt zijn geen primair artistieke zaken maar gaan over het maatschappelijk discours. Maar ik denk dat er dus andere problemen aan de orde zijn in literatuurland. Het feit dat mensen Vuijsje aanvallen op zijn boek 'Alleen maar nette mensen' omdat ze niet in staat zijn literatuur als fictie te zien, als kunstvorm, geeft al aan dat de literatuur niet op de knieën moet om zich tot de maatschappij te richten, maar dat het publiek te weinig ontwikkeling heeft...

Willem Bongers

Sorry HanZ, touché. Met je laatste opmerking ben ik het dan weer geheel niet eens. Je lijkt te suggereren dat omdát het boek literatuur is, het niet vanuit een bepaalde ideologische positie bekritiseerd mag worden. Dat is nu juist wat Vaessens (in 't spoor van William Marx) bedoelt met de ontwaarding van de literatuur; literatuur als intiem spelletje in een abstract autonoom reservaat, literatuur die niet meer kan bijten, omdat haar tanden van plastic (b)lijken. Juist als je Vuijsjes boek serieus neemt als fictie, als een gewelddaad ten opzichte van de werkelijkheid, juist dan kun je ammunitie verzamelen om het boek aan te pakken (wat me in dit geval ook volstrekt legitiem lijkt: de heer Vuijsje kan dan wel bij P&W uit naam van de God Ironie de aanvallen op zijn boek weglachen, beter kan hij verdedigen wat hij doet en waarom en liefst zonder de reflex 'Stegman did it' in stelling te brengen).

hanz mirck

Ja wat je zegt over Vuijsje is waar, maar ik vind dat een roman ALTIJD beide kanten moet bedienen: vorm en inhoud. Vaessens lijkt bijna dat eerste overboord te willen zetten ten gunste van de inhoud, en hangt daar het bestaansrecht en kwaliteit van het boek aan. Zelfs door het ontkennen van de werkelijkheid zeg je altijd toch iets over de werkelijkheid (want iets bestaat bij de gratie van het tegendeel), ergo: ik vind Vaessens te zevenmijlslaarzerigsnelthuis.

RHCdG

Ik denk dat Peeters met de hierboven aangehaalde zinnen een aantal ideeën van Vaessens wel degelijk weergeeft, zij het per parafrase. Allicht zegt hij niet dat 'elk boek door iedereen gelezen moet kunnen worden', maar wel wil hij graag dat literatuur een rol speelt en voor mensen meer als referentiepunt gaat gelden dan tot dusverre het geval is. En ook verdedigt hij Grunbergs roman, ondanks zijn toegift dat die stilistisch rammelt. Op dat laatste heb ik zelf eerder nogal omstandig gewezen. Maar Vaessens heeft natuurlijk gelijk. Een boek mag best rammelen. Tonnus Oosterhoff gaf een tijdje geleden een bijzondere analyse van Hermans' Damocles-boek, waarin dat eveneens het geval blijkt. Hij verklaarde dat door de urgentie waarmee de roman kennelijk is geschreven.

Dat rammelen kan trouwens ook gethematiseerd worden, vergelijk deze haperende regels van Lucebert:

maar mij het is blijkbaar is wanhopig
zo woordenloos geboren slechts
in een stem te sterven

Dat bedoelde ik een paar reacties geleden eigenlijk: goed Nederlands is ook niet je ware. 'Een vreemdeling worden in je eigen taal', zoals iemand die Deleuze heet het zegt; misschien dat daar een taak ligt voor literatuur.

Overigens, Chrétien, was jij niet van plan om een overzicht te maken van wat er zoal is verschenen over Vaessens' boek her en der? Ik weet dat Herlinda Vekemans er een serie over heeft geschreven, er stond een artikel van o.m. Samuel in de Groene, ikzelf schreef erover, en zo waren er nog een paar. Ik begrijp natuurlijk dat je een agenda hebt, en volkomen terecht, maar zijn die allemaal gesignaleerd, of alleen de reacties à charge?

Samuel Vriezen

"Vaessens lijkt bijna dat eerste overboord te willen zetten ten gunste van de inhoud"

Ik heb die gedachte niet in het boek gevonden. En het gaat ook niet om tegenstellingen tussen vorm en inhoud, of tussen geëngageerd en autonoom: het gaat bij Vaessens om een model van DRIE posities. Wat zo opvallend is: in bijna geen enkele reactie op het boek wordt op dat model ingegaan.

Koenraad Goudeseune

Goed Nederlands is ook niet je ware, schrijft Cornet. Aanmatigend in deze zin is de vooronderstelling dat het bezigen van goed Nederlands voor Cornet een klein kunstje is, dat hij met andere woorden al 'verder' is en samen met Lucebert pas lekker op een stoel zit als die wiebelt. 'Alle kappers zijn het erover eens dat, hoe vaker je iemands haar kamt, hoe meer het gaat glanzen. Hetzelfde geldt voor de stijl die door voortdurende correcties gaat flonkeren.' Flaubert. Goed Nederlands is dus een kwestie van stijl, en bij gebrek aan stijl poneert Cornet het omgekeerde: stijlloosheid is pas stijl. Makkelijk zat.

hanz mirck

Tja, uiteindelijk komen we uit bij het feit dat je wel van een goed kunstwerk kunt formuleren waarom het goed is, maar niet prescriptief kunt formuleren aan welke eisen een kunstwerk moet voldoen om goed te zijn. Er zijn gevallen waarin Cornets gelijk heeft, en ook (meer) waarin hij dat niet heeft, en dat geldt ook voor Vaessens. In elk geval is het onderwerp waarop hij onze aandacht richt een belangrijke, en blijkbaar gevoelig liggende zaak.

Cath Blaauwendraad

Maar dat prescriptieve, hoe kun je dat academisch rechtvaardigen dan? Dat is iets wat nog niemand me uit heeft kunnen leggen. En ik loop er steeds weer tegenaan.

Matthijs Ponte

Samuel heeft natuurlijk gelijk dat de receptie van dit boek nagenoeg volledig op juist deze kwestie (de kwestie: "gaan we voor de vorm of voor de inhoud?") inspeelt, maar dat dit niet de kwestie is die Vaessens in zijn boek centraal stelt. En ook niet wat het interessant maakt. Het boek draait om de driedeling humanisme, postmodernisme en 'laatpostmodernisme'. Wat het beoogt is een produktieve invulling van die laatste positie. Nu is het waar dat in Vaessens' zoektocht naar de produktieve invulling van dat laatpostmodernisme onder andere de momenteel schijnbaar evidente nadruk op stijl en vorm in de receptie van romans (die vooral typisch is voor een 'humanistische' literatuurbeschouwing, maar misschien ook wel voor een simplistisch postmodernistische houding) im frage wordt gesteld, in de hoop dat ook andere criteria weer een rol kunnen spelen. Hij zegt dus niet: 'en nu wordt het tijd dat de roman voortaan zal zijn: een geengageerde aflevering van jip en janneke'. Hij stelt wel de volgende, in mijn ogen buitengewoon urgente, vraag: hoe moeten we in de literatuurbeschouwing verder, wanneer we zowel een humanistische als postmoderne houding niet meer adequaat achten (zoals bij hem, en mij ook, het geval is) in de benadering van literatuur? Wie-o-wie gaat er toch een keer in op die vraag?
Het zou kunnen zijn dat de vraag die Vaessens stelt in eerste instantie wat te geavanceerd is voor zijn lezers (die suggestie wekt het leeuwendeel van de reacties op het boek wel). Misschien moet daarom de vraag naar aanleiding van de receptie van 'de revanche van de roman' nu eerst maar eens zijn: waarom zijn er maar zo weinigen van zijn lezers bereid op Vaessens' voornaamste probleemstelling in te gaan? Er valt namelijk van alles over te zeggen. En dat moet ook nodig eens grondig gebeuren. Is het territoriumdrift? Angst voor uitsluiting? Bot conservatisme? Vooral dat laatste, vrees ik, en vooral dat laatste vrees ik. Maar het bewijst ook de urgentie van zijn boek.

Willem Bongers

Over dat prescriptieve: het kan zo zijn dat ik vanwege verregaand narcisme de zaken van nature meer op mezelf dan op de rest van de wereld betrek, maar volgens mij wil Vaessens niet zozeer de literaire auteurs dingen voorschrijven, maar vooral de critici (waaronder literatuurwetenschappers) uitdagen om een ander potentieel van romans te benutten dan de mogelijkheden die (bijvoorbeeld) stijlonderzoek biedt. Vanuit de gedachte dat academische letterkundige studie een vorm van literaire kritiek is (de Engelse taal is daar meer straightforward in met 'critic'), is het niet zo verwonderlijk dat Vaessens prescriptief te werk gaat: dat is wat je als wetenschapper doet wanneer je denkt dat jouw methode de beste is (en als je dat niet denkt, dan moet je misschien een andere methode gaan gebruiken). En natuurlijk staat het er allemaal wat polemisch en voelen mensen zich nogal gauw op hun pik getrapt als ze persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor prestigeverlies van de literatuur, maar Vaessens heeft, hoewel met zevenmijlslaarzen aan, wel een punt.

Samuel Vriezen

Inderdaad! En om daar weer bij aan te sluiten: de hoofdstukken waarin Vaessens zich het duidelijkst tot de Neerlandici richt, met zijn pleidooi voor een grotere gevoeligheid voor Cultural Studies-achtige benaderingen, vond ik ook het overtuigendst.

Waar een Carel Peeters weer meteen een karikatuur van moet maken:

"Kern van de ideologie van de Culturele Studies is dat alles cultuur is en dat alle cultuur even veel waard is, of het nu om een smartlap of een roman van Harry Mulisch gaat."

Weer iets dat ik graag met een citaatje of twee gestaafd zou zien - het gaat, naar mijn indruk, in dat vakgebied niet in de eerste plaats om het uitspreken van waardeoordelen, dus óók niet het oordeel dat alles gelijke waarde heeft, maar om de bestudering van verschijnselen. Niet zo heel verrassend eigenlijk, dat is namelijk wetenschap. Maar Peeters zou kennelijk liever niet zien dat algemene culturele verschijnselen wetenschappelijk onderzocht worden?

RHCdG

Het gaat niet om gelijk hebben, en niet om voorschriften, het gaat om het zien van mogelijkheden. Dus eigenlijk juist om het onttrekken van literatuur aan allerlei voorschriften. Daarom is het ook zo storend om telkens te moeten lezen dat 'literatuurprofessor' - een adjectief dat onveranderlijk pejoratief wordt gebruikt - Vaessens voorschrijft hoe het moet. De dictaten worden juist steevast door de beschermers van een ouder literatuurideaal opgelegd.

Cath Blaauwendraad

Nu ja, mijn ervaring met Culturele Studies was dat die twee inderdaad evenveel waard zijn op het moment dat je ze bestudeert, hetgeen me logisch lijkt als je descriptief bezig bent. Maar dat normatieve.... je kunt hooguit de normatieve gronden waarop het ene hoger geacht wordt dan het andere, ter discussie stellen, vind ik. Is dat niet mogelijk zonder zelf normatief te worden?

Gert de Jager

In tegenstelling tot in de literatuur zelf – met schrijvers als Brakman, Jongstra, Februari en nog een paar anderen – is er in de neerlandistiek nooit sprake geweest van iets als een postmoderne benadering. Er zijn structuuranalyses verschenen van met name het werk van Brakman die varianten waren van – het woord zegt het al - het structuralisme. Het enige verschil was dat in navolging van de auteurs zelf geen ultieme eenheid meer werd gepostuleerd. Telkens werd bovendien beklemtoond dat alle Brakmanniaanse fratsen gemotiveerd werden door de manier waarop een auteur als Brakman een en ander ervoer. De stijl en de vorm waren er niet voor niets en ook niet omwille van zichzelf: ze dienden om een beeld te geven van een complexe verhouding tot de werkelijkheid. Een archetypische postmoderne roman als Het Huis M van Jongstra probeert recht te doen aan de sluipwegen van het geheugen en is in die zin verdomd didactische literatuur. Heel wat anders dan de eenduidigheid van Vuijsje en ja, inderdaad, er is geen kreeft minder door de pan ingegaan.

In een postmoderne samenleving kon postmoderne literatuur veel prestige verwerven, maar zij niet alleen. Dat lijkt me juist kenmerkend voor zoiets als postmoderniteit. In een eerdere bijdrage heb ik een flink aantal voorbeelden gegeven van boeken die de afgelopen decennia zowel literair prestige verwierven als appelleerden aan wat lezers bezighield. De taak van de neerlandistiek is onder meer om dat alles in zijn veelvormigheid te accepteren en te expliciteren. Met zijn drieslag geeft Vaessens een vertekend beeld van de literaire werkelijkheid die hij pretendeert te beschrijven en zijn moralisme is zoals elk moralisme: de werkelijkheid wordt verschraald tot wat wenselijk is. Die werkelijkheid is de werkelijkheid van reëel existerende lezers, die, als ze niet lezen, doorgaans tot over hun enkels in de modder van het dagelijks leven staan en die, als ze wel lezen, de Nederlandse literatuur een bloeiperiode van jewelste hebben bezorgd. Tussen die twee zaken bestaat misschien af en toe een verband. Onderzoeksstof genoeg voor ambitieuze promovendi en materiaal in overvloed voor de cultuuroverdracht die Vaessens zo ter harte gaat. Hoogleraren zijn nuttige mensen, maar de werkelijkheid heeft hen niet nodig om zich voor te doen.

RHCdG

Nou, Gert, gooi dan de hele literatuurkritiek maar weg, en laten we alle pogingen om de samenleving te begrijpen aan de hand van de literatuur die ze produceert maar opgeven. De modder vertelt kennelijk het hele verhaal.

Gert de Jager

Los van de vraag wie 'we' is, beweer ik volgens mij precies het tegenovergestelde.

Gert de Jager

Om je impliciete vraag te beantwoorden: een criticus is voor mij niet veel dan een lezer die wat meer gelezen heeft, het aanbod derhalve min of meer overziet en zijn bevindingen vervolgens ordent. Dat ordenen kan heel wat meer zijn dan boekhouden – laat de criticus vooral intellectueel losgaan.

Met zijn duiding kan een criticus iets toevoegen aan een boek als dat van Jongstra – zoals elke lezer noodzakelijkerwijs iets toevoegt aan welk boek dan ook. In mijn eerdere reactie op Vaessens (http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2009/04/de-revanche-van-de-roman-aflevering-schouten.html) heb ik beargumenteerd dat in de mogelijkheid van dat laatste het maatschappelijk belang van literatuur schuilt – het maatschappelijk belang waar Vaesssens zo naarstig naar op zoek is. Hij kan zijn lantaarntje opbergen. Het belang is er al.

Koenraad Goudeseune

Willem Frederik Hermans: '()Toch hebben, vooral sinds de Romantiek, de schrijvers er bij vlagen naar gestreefd elke overeenkomst met waarneming en logica te vermijden. Waarom? Uit het geloof met nieuwe woordcombinaties nieuwe werelden te kunnen scheppen, nee, eerder nog, het bestaan van tot dusverre onvermoede en door de logica onbenaderbare werelden te kunnen aantonen. Dit geloof is wat het is, namelijk een geloof.'

Matthijs Ponte

'Waarover je niet spreken kunt, daarover moet je zwijgen', ja. Dat weten we van Hermans. Maar dat logisch-positivisme legt geen zoden aan de dijk. Volgens mij zou het credo dan ook moeten worden: waarover je niet spreken kunt, daar moet je een naam voor zoeken.

RHCdG

Misschien is de associatie zo duidelijk dat tot dusverre niemand het nodig vond om erop te wijzen, maar misschien is het nuttig om dat toch nog even te doen: ik bedoel de afbeelding op het kaft van Vaessens' boek. Daarop staat een figuur met een megafoon. Als je bedenkt dat Vaessens een groot pleitbezorger is van de poëzie van Lucebert, over wie hij ook een boekje schreef, dan moet die figuur wel de 'omroeper van oproer' zijn uit diens zeer bekende gedicht 'school der poëzie' (zie http://www.dbnl.org/tekst/luce001apoc01_01/luce001apoc01_01_0003.htm ).

Vooral de derde en vierde strofe, met regels als 'ik bericht, dat de dichters van fluweel/ schuw en humanisties dood gaan', [ik] snak naar het riool/ van revolutie' en 'rijmratten, hoon,/ hoon nog deze veel te schone poëzieschool' geven zogezegd het program van Vaessens' boek. En dan kun je zijn betoog óók lezen als een pleidooi voor een terugkeer naar het sentiment van deze bewonderde dichter, die 60 jaar geleden modernisme, postmodernisme en literair engagement al in zich verenigde. Waarvan bij deze akte.

Cath Blaauwendraad

@ Matthijs: Hoewel het niet mijn gewoonte is om uit eigen werk te citeren:

[...] Er sterft
meestal een dier wanneer we namen geven,
soms ook een plant, een steen. [...]

Waarmee ik maar wil zeggen: een naam zoeken is prima, een naam geven gevaarlijker. De neologismenmachine eist zijn tol.

Samuel Vriezen

RHCdG: "En dan kun je zijn betoog óók lezen als een pleidooi voor een terugkeer naar het sentiment van deze bewonderde dichter [Lucebert], die 60 jaar geleden modernisme, postmodernisme en literair engagement al in zich verenigde."


Zeker, Rutger. Lucebert was dan ook een graag geziene gast in talkshows en schreef met grote regelmaat spraakmakende columns.

RHCdG

Beetje raar, deze vulgaire weergave van het door Vaessens beoogde schrijverschap uit de pen van iemand die zegt de theoretische onderbouwing in diens boek zo ondermaats te vinden.

Willem Bongers

Als ik het me goed herinner (en dat doe ik) dan ging het Samuel niet zozeer om een ondermaats theorama aangaande 'schrijverschap', maar om een onnauwkeurig en weinig diepgravende invulling van de notie 'postmodernisme/postmoderniteit' en met dat postmodernime verwante filosofen (Derrida e.t.q.). Die stellingname, die ik onderschrijf, lijkt mij niet te conflicteren met Samuels o b s e r v a t i e dat de door jou zo bewonderde Lucebert inderdaad zijn weg in de mediawereld van die tijd wist te vinden (en dat het succes van zijn persoon daar op zijn minst iets mee te maken heeft, voeg ik daar dan maar aan toe).

Samuel Vriezen

Hans Groenewegen schreef ooit een essay waarin juist Lucebert's publieke successen als probleem voor de dichter worden opgevoerd. De suggestie in dat essay was dat Lucebert zich bijzonder ongelukkig ging voelen met zijn publieke persona, en dat dit zowel het 'zwijgen' als zekere verschillen tussen de late en de vroege Lucebert kan helpen verklaren.

Bij Vaessens intussen ligt de nadruk wel degelijk op de bereidheid van een auteur om publiek op te treden: een engagement dat niet in het centrum van de belangstelling staat wordt bij hem al snel gekarakteriseerd als de romantiek van de marge. Alsof men als auteur er ooit actief voor *kiest* om nauwelijks gelezen te worden - zie hierover ook Inwijkeling, vandaag.

Dat is wat mij betreft wel degelijk een probleempunt bij Vaessens. In ons stuk hebben we dat zijdelings aangeroerd: de gedachte is dat als gevolg van een onderontwikkelde engagementsopvatting engagement bij Vaessens teveel afhankelijk wordt van de bestaande mediastructuren, en dat hij de mogelijkheid dat zekere vormen van publiek optreden per definitie gecompromitteerd zijn ten onrechte niet uitwerkt.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...