Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Een oude poëzierel | Hoofdmenu | Hûn oan ‘e himel / Hond aan de hemel (4) »

28 mei 2009

Het eerste gedicht (8): Catharina Blaauwendraad

Beroepsgeheim Vandaag deel 8 van een 30-delige reeks: Het Eerste Gedicht. 30 keer (in het begin dacht ik: 2 per week, op zaterdag en woensdag, maar dat blijkt toch een beetje te vaak te zijn) schrijf ik een stuk over evenzoveel openingsgedichten van min of meer recente dichtbundels. Vandaag: het eerste gedicht uit de bundel Beroepsgeheim van Catharina Blaauwendraad. Haar website in aanbouw, of herbouw, staat hier.

Schrijfoefening

Bestrijk het eiken parket met een waslaag
van ongeveer twee centimeter dikte. Begin
in de uiterste hoek en werk naar de deur toe.

Daarna de kamer niet meer betreden,
hooguit over een jaar of wat,
op kousenvoeten,

maar schuiven met meubelstukken is ook dan
volkomen uit den boze en zelfs zijn kantoorstoel
mag nog geen millimeter van zijn plaats gerold.

Maak nu jezelf zo licht mogelijk, zweef
naar de metalen kast en pak
de voorraadfles Oost-Indische inkt.

Giet die traag als stroop
over zijn dorstige werktafel uit. Blijf kijken
hoe het zwart over de rand op de waslaag druipt.

Verlaat de kamer in achterwaartse richting en stap
beslist niet in de inkt: probeer te blijven zweven
als je de metershoge deur ontzettend sluit.

© Catharina Blaauwendraad

Wat een merkwaardige schrijfoefening evoceert Blaauwendraad hier. Ze schrijft niet op een wastablet, maar boent meteen de hele parketvloer in. Niet zo dun ook: op twee centimeter was kun je aardig schrijven. Maar dat doet ze niet, tenminste, ze schrijft: "Daarna de kamer niet meer betreden, / hooguit over een jaar of wat, / op kousenvoeten".

Het doet mij denken aan de verzuchting van de onlangs overleden dichter Jan Eijkelboom, die in zijn gedicht 'O' weliswaar niet in de gebiedende, maar in de verzuchtende wijs schreef:

Maar nee, wat bij mij ingaat
moet bezinken,
verdicht zich tot een sprake-
loos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.

Blaauwendraad lijkt juist op te roepen tot het laten "bezinken", of inwerken van de was. En áls de kamer waarin de met was bestreken vloer zich bevindt dan wordt betreden, dan op kousenvoeten. Zwevend wordt het schrijfproces - door het halen en uitgieten van een fles Oostindische inkt - in gang gezet.

De inkt druppelt over het blad van het bureau naar de waslaag. De dichter lijkt nog steeds geen indruk te mogen maken: "Verlaat de kamer in achterwaartse richting en stap / beslist niet in de inkt". Doet de inkt het schrijfwerk zelf? Of is het schrijfwerk juist al gedaan, bij het uitgieten van de inkt?

De slotstrofe geeft er geen uitsluitsel over, maar Blaauwendraad knalt de deur wel met enige heftigheid (opnieuw?) in het slot: "probeer te blijven zweven / als je de metershoge deur ontzettend sluit." Boem.

Het is een schrijfoefening en een verbod tot schrijven in een. Het geheel staat weliswaar in de was, maar is met zijn trage a-klanken langzaam, net zo traag als het wordingsproces van het gedicht. Dat mij echter achterlaat met de vraag wat de twee meubelstukken (kantoorstoel en werktafel) er hebben te zoeken.

En dat weet ik niet, ook niet na meerdere lezingen. Ik heb het - uiteindelijk - zo opgelost, voor mezelf: Er zijn twee leeswijzen mogelijk.

1. De kantoorstoel en de werktafel vormen samen het altaar waarop de dichter het gedicht laat ontstaan. Middels inkt, die in een metalen kast is opgeslagen (als een profane variant op het tabernakel bij een altaar). Dat ontstaan van een gedicht moet in afgeslotenheid gebeuren, en is een langdurig proces. De dichter moet dat op kousenvoeten bijwonen, of eigenlijk: mag daar alleen af en toe, op kousenvoeten, bij.

2. De kantoorstoel en de werktafel "zijn" "echt" van iemand. Iemand die "geen indruk" mag nalaten in de waslaag. De inkt gaat via de "dorstige werktafel" richting vloer - de inkt schrijft op welke indruk de bezitter van de meubelstukken wél heeft nagelaten. Maar ik geef toe, in de tekst is voor deze lezing weinig bewijs te vinden.

Reacties

Gert de Jager

Mooi dat je weer begonnen bent. Het probleem met dit gedicht vind ik het woordje ‘zijn’ in de derde en de vijfde strofe. Waarnaar verwijst het in je eerste interpretatie? Naar parket of kamer?

Ik heb die ‘hij’ toch vooral als een mannelijk persoon gezien – een mannelijk persoon die de werkkamer niet meer gebruikt. Die werkkamer wordt eerst piekfijn in orde gemaakt en daarna, na enige tijd, met inkt besmeurd. Een daad van agressie, lijkt mij, tegen de verdwenen ‘hij’. Wie is ‘hij’? Een verdwenen geliefde, een vader, Onze Lieve Heer Zelf misschien? De gepersonifieerde dood die verblijf houdt achter een ‘metershoge deur’? Een mengeling van dat alles?

Zonder sporen achter te laten moet de aangesprokene verdwijnen; zwevend – een antithese met de inkt zelf die traag is en druipt. Wordt hier iets gezegd over poëzie? Zijn dat woorden die ‘zwaar’ zijn en waaraan een levende dichter zich moet onttrekken om weer verder te moeten? Is de schrijfoefening geslaagd? Of is hij juist mislukt en is een echt gedicht iets anders dan over een werktafel gegoten inkt?

Het gedicht roept enige vragen op, kunnen we wel stellen. De laatste vragen komen voort uit het opgeroepen beeld zelf – fraai is dat. Wel vind ik het jammer dat in zo’n tegelijkertijd realistische en geheimzinnige setting de ‘hij’ onbepaald blijft. Het feit dat ik als lezer volledige vrijheid heb om aan de ‘hij’ inhoud te geven, maakt dat ik niet met een ‘hij’ geconfronteerd word. Iets als identificatie voltrekt zich dan juist niet. Een raadsel is wat mij betreft raadselachtiger als het concreet is.

RHCdG

Ja, ook zonder te denken aan de feministische reputatie die Catharina bij mij onder meer hier heeft opgebouwd, vallen in dit gedicht toch vooral een aantal aan dat gedachtegoed ontleende motieven op. Meteen al de eerste strofe lijkt genomen uit een lesboekje van de huishoudschool. De derde strofe bevat voorschriften van manlief, waar vrouwlief zich aan dient te onderwerpen. Alle andere strofen bieden aanwijzingen voor een bevrijding uit die onderdrukte positie, die hier vooral wordt verbeeld door het 'zweven', als een losmaking uit de knellende greep van een bestaan in dienst van een ander. Daarbij is het wel de vraag in hoeverre het om een werkelijke bevrijding gaat, wanneer de bevrijder - de stem dus die in strofen 2,4,5,6 spreekt - op haar beurt in imperatieven spreekt en opdrachten en aanwijzingen uitdeelt.

Maar misschien is de dichter zich van dat gevaar zelf ook wel bewust. Want daarnaast gaat het gedicht inderdaad ook over het schrijven, en hoe daarin een manier kan worden gevonden om een eigen bestaan op te bouwen. De mooiste uitspraak vind ik 'stap niet in de inkt': wat betekent dat voor het schrijverschap van de dichter? Mij dunkt, dat ze zich, na manlief en de bevrijdingsideologie, niet opnieuw ook in díe bezigheid als een te onderwerpen subject verliest, maar dat ze de dichtkunst voor haar laat werken: schrijven niet als vorm van representatie, maar als een creatieve, autonome en dus vrijgemaakte activiteit. Jackson Pollock zogezegd - maar misschien is bij mij hier de wens wel de vader van de gedachte, want de inkt is ook stroperig, en je moet niet blijven plakken.

Een 'technisch' bezwaar heb ik tegen de tweede strofe, die verder gaat waar de laatste strofe eindigt. Daardoor ontstaat er een discontinuïteit, die ik niet gemotiveerd zie.

Hans Smit

Een prachtig gedicht met drie doordachte interpretaties. Als kleine toevoeging daaraan: bij mij roept de anekdotische laag van dit gedicht het beeld op van een meisjesachtige, groteske practical joke. Het is een soort instructie hoe om te gaan met Iemand die er niet meer is, een vader wellicht, wiens werkkamer deze rituele behandeling moet krijgen om ergens mee verder te kunnen (schrijven, leven, verlies voelen) - de deur wordt immers 'ontzettend' gesloten. Het beeld is op zichzelf overduidelijk - het hele gedicht is ook opgezet om dat beeld scherper en scherper in te vullen - en tegelijkertijd zo opgezet dat je met dat beeld nog alle kanten uit kunt. De vragen en lagen liggen voor de lezer als was over elkaar: wie is die hij? Waarom die was en inkt? Wat betekent het dat de deur moet worden gesloten? Is het wraak, is het een grap, is het een rituele daad van afsluiting van iets? Is het, inderdaad, een 'hij' met wie moet worden afgerekend, en waarom dan precies. Enfin, prachtig.

Koenraad Goudeseune

Ik ben het nogal eens met Hans Smit. Als openingsgedicht doet het ook wel zijn ding, vind ik. En Blaauwendraads bundel verdient sowieso meer aandacht.

Gert de Jager

Ik ben het ook nogal eens met Hans Smit, en met Rutger, en met Chrétien. De ‘hij’ is, denk ik, bovenal een schrijver. Ik zie opeens een werkkamer als die van Harry Mulisch voor me, waarin alles letterlijk en figuurlijk op zijn plaats staat. Piramides en obelisken, foto’s van Goethe en Thomas Mann. We bevinden ons in een gesloten universum, met de werkelijkheid voor eeuwig en altijd gedefinieerd door een echte patriarch. In zo’n omgeving is een daad van agressie een absolute voorwaarde voor de eigen creativiteit. De rest van de bundel zal er van getuigen.

RHCdG

Ah, die werkkamer van Mulisch, die is toch schitterend? Dat vind ik wel wat anders dan deze werkkamer, die er een is van een paranoïcus: de kleinste verschuiving doet er kennelijk de orde uit het lood slaan, en moet dus uit alle macht voorkomen worden. Dan kan een daad van agressie, van eigen creativiteit, inderdaad wel eens helpen. Maar bij Mulisch is de orde van het werk, subs. van zijn kamer, al het resultaat van creativiteit. Een verandering bij hem verstoort het evenwicht niet, maar wordt er meteen door opgenomen: het systeem is er flexibel genoeg voor.

De enige aanwijzing voor een schrijvend beroep die het gedicht geeft, is ook eigenlijk die Oostindische inkt. Maar wie schrijft er met inkt? Reve was de laatste (en ook alleen volgens een door hem zelf geconstrueerde mythe, want de man tikte zijn werk doorgaans op een typemachine). Nee, dat Oostindische breng ik eerder in verband met de spreekwoordelijke doofheid: liever sluit hij zijn oren voor zijn vrouw dan dat hij haar zou toestaan een verandering in zijn systeem aan te brengen.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...