Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Zolang het maar grijs is | Hoofdmenu | Eredoctoraat Dawkins in Antwerpen »

02 mei 2009

Het eerste gedicht (3): Nachoem M. Wijnberg

Vandaag deel 3 van een 30-delige reeks: Het Eerste Gedicht. 30 keer (2 per week, op zaterdag en woensdag, te verschijnen) schrijf ik een stukje over evenzoveel openingsgedichten van min of meer recente dichtbundels. Recent wil zeggen: niet al te lang verschenen. Dus ik hou een flinke slag om de arm, van minimaal 2 jaar. Ik bespreek alleen de tekst van het gedicht, en maak geen gebruik van informatie uit de rest van de bundel of uit andere bronnen waarin de dichter zich over zijn of haar werk uitspreekt. Vandaag: het eerste gedicht uit de bundel het leven van van Nachoem M. Wijnberg. Omdat ik in een goede bui was de afgelopen dagen, geef ik twee lezingen.

Het leven van Kant, van Hegel

Alsof hij elke dag een beslissing neemt die zo goed is als wanneer
hij zijn hele leven daarover had kunnen nadenken.
Het leven van Kant, van Hegel, de dagen van het leven van, kies er
drie of vier uit.
Vertel wat hij in die dagen te weten gekomen is alsof hij de laatste
was die zo weinig wist.
Geef mij iets wat ik kan wegstrepen tegen dan kan ik mij erop
voorbereiden.
De beloning is dat ik door mag gaan met wat ik doe, het maakt niet
uit hoelang het duurt.
Dit heeft niets te maken met dat alles blijft zoals het is als ik zeg dat
ik niets anders meer wil.
Ik zou niets kunnen zeggen waar het een en het ander in voorkomt
op een manier dat ik als ik iets wist om tegen het een weg te strepen
het nu niet meer kon.
De sterren boven mijn hoofd en kunnen zeggen wat bij wat hoort
als ik ze binnengelaten heb.

Lezing 1

 
Goed. Mede gesteund door het idee dat Wijnberg twee filosofen met een enigszins tegengestelde denkwijze noemt - de een meer positivistisch ingesteld (Kant?) en een ander die positivisten altijd weer in de gordijnen weet te jagen (Hegel), zie ik dit gedicht als een "verzetsdaad" tegen een proces van "betekenisvorming".
 
Zelfs het noemen van de filosofen wil hij niet absoluut maken: "kies er drie of vier uit". Hoewel dit ook kan "verwijzen" naar iets anders. Een joodse oudoom van een kennis, de enige uit een heel groot gezin die niet in Auschwitz, maar in Sobibor had gezeten en daarom door zijn familie als een buitenbeentje werd beschouwd, spoorde zijn kinderen aan om op elke vraag altijd 3 antwoorden te geven. Zo leerden ze een probleem van meerdere kanten te bezien.
 
In een proces dat ik in alinea 1 omschrijf, komt een betekenis vaak tot stand vanuit de formulering van wat iets NIET is. Dat levert een denken op datde categorieën positief en negatief hanteert, en daarbinnen is elke identiteit (are you with me?) een negatieve identiteit. Bijvoorbeeld: man = geen vrouw.
 
Wijnberg worstelt, zoveel is duidelijk. Met zijn poëtica:
 

Dit heeft niets te maken met dat alles blijft zoals het is als ik zeg dat
ik niets anders meer wil.
Ik zou niets kunnen zeggen waar het een en het ander in voorkomt
op een manier dat ik als ik iets wist om tegen het een weg te strepen
het nu niet meer kon.

- die hij niet "rond" krijgt. Of die hij niet rond wil krijgen.
  

Maar hij worstelt ook met de prosodie. Met "het vak": met name de regels 9 tot en met 12 lijken zich expres te "onttrekken" aan "mooischrijverij". Wijnberg schaaft zijn regels zó lang, tot ze er zo lelijk mogelijk bijstaan. Dit bedoel ik verre van ironisch; ik denk dat Wijnberg heel, heel lang aan zijn regels schaaft.

 
Aan het eind van dit gedicht heeft Wijnberg bijna alles weggestreept tegen elkaar. "De sterren" uit de laatste zinnen, die hij wil binnenlaten, lijken daarna een reactie op al dat "niets", op al dat wegstrepen: Wijnberg laat iets binnen waarop je niet voorbereid kunt zijn, iets dat "groter is dan jezelf", iets wat je niet meer kunt wegstrepen. Mystiek? Kaballah?
 
Lezing 2

Ik zie twee mogelijkheden om de eerste 2 regels te lezen, en die twee leeswijzen worden aangestuurd door het voegwoord "alsof". "Hij" voelt zich alsóf hij elke dag een beslissing neemt die zo goed is als etc. - maar hij zou zich ook kunnen verbazen over het idee dat "hij" elke dag een beslissing kan nemen die zo goed is als etc.

Regel 3 en 4 doen een mededeling over twee filosofen, en de dichter spoort ons aan om "er" drie of vier uit te kiezen. Je zou kunnen denken dat hij deze filosofen ziet als mensen die hun hele leven hebben kunnen nadenken over een beslissing etc. Maar het staat er niet per se, hoewel Wijnberg het verband tussen de regels 1 / 2 en 3 / 4 waarschijnlijk niet alléén op toeval zal laten berusten.

Regel 5 en 6 doe een aansporing om dit verhaal, deze beslissing, zó te formuleren dat wij (de lezers?) moeten gaan denken dat "hij de laatste was die zo weinig wist." Mijn eerste gedachte: De Bond Zonder Naam. Mei. Spreuk van de Maand: "Wij is hij die pretendeert niet veel te weten." Zoiets. Maar waarschijnlijk is er een filosoof te vinden die het net iets anders heeft gezegd.

Hetzelfde geldt voor de regels 7 en 8: vertel mij wat mij allemaal in mijn gezicht kan raken, dan bereid ik me erop voor. Zeg me welke graansoorten er in brood gaan, en ik kies er een uit. Zeg me welke continenten groter zijn dan Europa en ik schrijf het op. Een beetje hol.

De daaropvolgende regels 9, 10, 11 en 12 -

De beloning is dat ik door mag gaan met wat ik doe, het maakt niet
uit hoelang het duurt.
Dit heeft niets te maken met dat alles blijft zoals het is als ik zeg dat
ik niets anders meer wil.

- hoor ik in gedachten zingen door Acda & De Munnik, in een arrangement van Henny Vrienten. Leuk slepend melodietje. Sfeer: tegen het einde van het feest. Vrouw is net boos weggelopen. Man probeert zijn egocentrische levenswandel in diepzinnige regels te vangen. Laat zich daarbij inspireren door Frank Boeijen.

Gelukkig zwaait de camera even weg als het in regel 12 echt onverdraaglijk wordt. En gaan we weer verder waar we in regel 8 gebleven waren:

Ik zou niets kunnen zeggen waar het een en het ander in voorkomt
op een manier dat ik als ik iets wist om tegen het een weg te strepen
het nu niet meer kon.

Boeiende zin, met een wat elliptisch-achtig einde. Maar de mededeling blijft toch dun, ondanks het diepzinnige filosofische welles-nietes. Niets zeggen, opdat ik het nu ook niet meer kan, ook al had ik het gedaan. Het kan. Het staat er. Maar wat er precies staat?

We eindigen met een kosmisch moment. Stukje Vinkenoog. Sterren boven het hoofd, die binnen moeten om daar verheldering te brengen. Stardust. Ganja. Weet ik veel.

Rudy Cornets de Groot schreef ooit: "Ik begin de analyse van een gedicht lang niet altijd bij de eerste zin, om in de geboden volgorde bij de laatste te belanden. Het denken beweegt zicht anders. Het blijft es stilstaan. Het loopt es door, het keert es terug, of het slaat een paar droomwegen in, en vindt de realiteit van het gedicht niet zelden juist daar. Verraderlijke wegen, waar men zonder behoedzaamheid makkelijk het spoor bijster zou raken."

Dit gedicht is, welke zijweg je ook inslaat, een verzameling "wijsheden", een opeenstapeling van kalenderspreuken die het goed doen bij de geprangde en de poëtische zielen. De dichter heeft er een gedicht omheen geknutseld, om die spreuken, en laat ons met lege handen zitten. Wat niet erg is.

Reacties

RHCdG

Laat ik maar eens de eerste zijn dit keer. Hoewel ik me niet in je conclusie kan vinden, kun je toch constateren dat Wijnberg je min of meer dwingt om je hier met evenveel inzet aan te wijden als hij zelf gedaan heeft. Dat zou al een eerste compliment moeten zijn - aan jouw adres, maar ook aan het zijne natuurlijk. Je kunt je van zijn poëzie niet makkelijk afmaken, tenzij je er helemaal niet aan wil beginnen - en kijk, dat zou zo maar een zin uit zijn werk kunnen zijn: 'ik kan er alleen aan beginnen als ik weet dat het genoeg is om mee door te gaan wanneer iemand me vraagt om er iets over te zeggen wat hij al gedaan heeft' - of zoiets. Heel vaak als ik iets over Wijnberg zeg heb ik het gevoel dat ik regels van hem citeer: hij lijkt zijn eigen werkwijze, de manier waarop zijn gedichten in elkaar zitten, te beschrijven - en die beschrijving *is* het gedicht. De figuur die daardoor ontstaat ziet er dan ook vaak nogal gewrongen en in elkaar gedraaid uit.

Interessant vind ik je verklaring van 'drie of vier' uit de tweede zin: jij meent dat die verwijzen naar filosofen. Ik denk dat ze eerder naar de 'dagen uit het leven van' verwijzen. Maar wat daar van zij: als je zoiets invult, hoe ook, dan ben je dingen tegen elkaar aan het wegstrepen. Dan parafraseer je. En dat is precies wat Wijnberg zelf *niet* doet. Hij vervangt de zgn. manifeste inhoud van zijn gedicht niet door een latente, om vervolgens 'klaar' te zijn - hij wil juist de beweging ervan volgen en daar zo lang mogelijk mee doorgaan:

'Geef mij iets wat ik kan wegstrepen tegen dan kan ik mij erop
voorbereiden.
De beloning is dat ik door mag gaan met wat ik doe, het maakt niet uit hoelang het duurt.'

Wegstrepen tegen - tegen wat? Dat zegt hij niet. Voorbereiden waarop? Ook dat zegt hij niet. En dat hoeft ook niet, want wat we missen is dichter bij dan we denken: het is wat we lezen. Deze poëzie is fundamenteel niet voor verklaring vatbaar - maar het verklaren, het denken, vormt wel een impuls tot dichten en tot leven, zo lang mogelijk, en desnoods bij herhaling.

Heel aardig, ten slotte, dat je mijn ouwe heer citeert - en dan nog wel uit een tekst die iedere schrijver over poëzie boven zijn bed mag hangen; vooral p. 223-224 maken op klassieke status aanspraak. Dan is dat ook maar es gezegd.

jan Pollet

Conclusie? Rutger? je bedoelt wellicht conclusies?

RHCdG

De samenvattende conclusie dat hij er weinig in ziet.

jan Pollet

Het zijn volgens mij 2 lezingen met elk hun eigen aparte besluit.

RHCdG

Ja, maar ik ben iemand van de oude stempel die nog in de auteur gelooft...

Gert de Jager

Lezing nr. 4 komt van Rob Schouten en is een onderdeel van zijn VSB-laudatio:

‘Het leven van Kant, van Hegel’ lijkt net als veel andere Wijnberg-gedichten in deze bundel op een som. We moeten iets berekenen en tegen elkaar wegstrepen en dat levert een voorlopige uitkomst op. En natuurlijk moet je vervolgens diep nadenken of het allemaal wel klopt. In ‘Het leven van Kant, van Hegel’ komt de aap uit de mouw in de slotregel als het opeens niet meer over Kant of Hegel gaat maar over iets veel groters: het heelal, het wereldraadsel: ‘de sterren boven mijn hoofd en kunnen zeggen wat bij wat hoort als ik ze binnengelaten heb.’ Alsof je de grote kosmische raadsels zou kunnen berekenen en doorgronden als je ze even apart zet. Alsof je filosofen zou kunnen begrijpen als je ze een paar dagen volgt, alsof niet alles een oneindige, cumulatieve som is. En dat is natuurlijk niet alles, want de regel roept ook de bekende slotregel uit Kants Kritik der reinen Vernunft in herinnering, een uitspraak die ook op de grafsteen van de filosoof staat vermeld. ‘Twee zaken vervullen het hart met steeds weer nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langduriger het denken zich daarmee bezighoudt: de met sterren bezaaide hemel boven mij en de morele wet in mij.’ Na Kant, op zoek naar het leven van Kant, op zoek naar de morele wet. Daartoe, om een ordening in woorden aan te brengen, moeten ze eerst worden binnengelaten: Kant, Hegel, de sterren. Langs zulke adembenemende gedachten scheert de poëzie van Nachoem Wijnberg.

Lezing nr. 5 nuanceert het slot van nr. 4, is misschien een wat concretere invullling van nr. 3 en nr. 1 en gaat in tegen nr. 2 wanneer daar wordt gesproken van ‘een verzameling wijsheden’.

Van werkelijke wijsheden is volgens mij nergens sprake. Dat blijkt vooral in de voorlaatste zin – het gedicht bestaat voor mij uit acht zinnen die bij deze bladspiegel toevallig zijn verdeeld over zeventien versregels - die ik, hoe ik het probeer, net niet grammaticaal kloppend kan krijgen.‘Kunnen zeggen wat bij wat hoort’ – in de vorige zin is dat zelfs grammaticaal misgelopen. Voor zover Wijnbergs poëzie ‘onverklaarbaar’ is – ik denk dat dat per saldo nog wel meevalt – is ze dat als teken van iets anders, als illustratie of exemplificatie, als een vorm van iconiciteit in beweging. Geen verzetsdaad dus, niet op de eerste plaats de vitale impuls die Rutger erin ziet, ook niet werkelijk een poging tot ordening, maar vooral een poging tot afbeelding.

In de eerdere discussie over ‘het leven van’ ging het onder meer over Wijnbergs opmerking dat zijn poëzie vooral ‘waar’ moest zijn. Niet in een verzet tegen betekenisgeving kan die waarheid schuilen, niet in de formulering van wijsheden, niet in de ordening van het een en ander en niet in de impuls zelf tot denken en dichten – de waarheid schuilt in de manier waarop een dichter de waarheid onder woorden kan brengen.


RHCdG

Gert,
Leg eens uit wat je met 'afbeelding' bedoelt?

Gert de Jager

Hoezo?

RHCdG

Hoezo? Vreemde vraag. Als dat woord heel Wijnbergs poëzie moet vatten, onder uitsluiting of relativering van andere termen, dan mag je ook uitleggen wat je ermee bedoelt. Anders zit ik me blind te staren op een woord, terwijl ik mijn eigen indrukken op de stoep mag zetten. Dus: 'een poging tot afbeelding' - van wat? Hoe? Geen uitbeelding of inbeelding? Waar zie je precies de afgebeelde beelden in dit gedicht? Wat is de bron van de afbeeldingen? Enz. Voor de dag ermee, graag.

Gert de Jager

Nee, juist niet heel Wijnbergs poëzie - Wijnbergs poëzie voor zover ze onverklaarbaar is, schrijf ik nogal nadrukkelijk. Op dat moment 'betekent' een zin van Wijnberg zoals een monster van een produkt of een staal van een stof dat product of die stof 'betekent'. Het komt in de buurt van iconiciteit en dat is geen woord waarop je je blindstaart, geloof ik. Het punt is nu juist dat de bron van de afbeeldingen zich niet laat kennen.

Ook een dichter als Oosterhoff creëert via een dergelijk procedé betekenis. Neem alleen al een bundeltitel als Ware grootte.

RHCdG

Ik denk dat het een kwestie van keuze is. Als ik 'ware grootte' lees, dan denk ik 'deze poëzie vertegenwoordigt een eigen wereld', ze is wat ze is, en behoeft geen bevestiging door de realiteit. Voor dat laatste is wel wat te zeggen, want ze geeft inderdaad een afbeelding 'op ware grootte', maar ik ben zelf niet zo tuk op dat positivistische. Iets, een gedicht mag wat mij betreft wel verbindingen aangaan met van alles en nog wat, maar niet om goedkeuring te vragen aan een werkelijkheid die zelf ook niet onbemiddeld tot ons komt. Maar goed, dat is een kwestie van opvatting. Wat mij betreft: hoe minder metaforen, hoe liever.

hans kloos

Deed me, niet alleen vanwege het slot, denken aan dit gedicht van Thomas Tidholm:
http://www.hanskloos.nl/vertalen/sterrenTT.htm

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...