Najaar 2008 verschenen bij Druksel drie poëziebundeltjes die door hun vormgeving meteen het kind in de poëzieliefhebber aanspreken. Ze hebben alle drie een apart formaatje, hebben een eenvoudig wit omslagje en in twee ervan staan tekeningen. Het gaat om Bodemsanering van Peter van Lier, Handschreeuwkoor van Tonnus Oosterhoff en Buiten van Arnoud van Adrichem. De laatste beperkte zich met zijn geslaagde 'roadpoem' tot louter tekst. Van Lier en Oosterhoff daarentegen gingen een dialoog aan met het beeld, in het geval van Oosterhoff zelfs een gedurfd experiment met het eigen handschrift. Een korte impressie van de drie bundels.
Het minst was ik geraakt door de twee maal zes gedichten van van Lier die nochtans de speelse uitstraling van een stripverhaal hebben. Uit de schetsboeken van kunstenaar Machteld van Buren heeft hij een
aantal tekeningen gekozen en die 'in zijn gedichten geplaatst'. Hij stelt je voor de verleidelijke opgave om een direct verband tussen woord en tekst te zoeken, wat er meestal niet is. 'Basta', zo begint de afdaling naar het diepste duister, om 12 gedichten later helemaal gelouterd uit te komen bij 'levensgeluk, ter nagedachtenis van elk heden.' Bodemsanering ligt bij mij thuis bevallig te wezen in het vitrinekastje, veilig weggestoken voor de nieuwsgierige vuile kinderwijsvinger.
Veel verder dan de wat schuchtere, afstandelijke beeld-tekst combinatie van van Lier gaat Oosterhoff met Handschreeuwkoor. Oosterhoff is all the way gegaan. De tekst is letterlijk beeld geworden. We worden geconfronteerd met een paginavullende handgeschreven tekst waar met de grootste moeite af en toe een woord in te herkennen valt. Het is de illusie van een tekst; het beeld van een taal die pagina na pagina chaotischer, kriebelender en krabbelender wordt. Behalve het gedrukte gedicht in het midden van het boekje en af en toe een gedrukte regel valt er niets 'van betekenis' te lezen. Het is een bijna puur kijkboek geworden. Kijken naar taal, wat een overrompelende ervaring. Maar wij zijn voor afstand gedacht,/ gebouwd en gebruikt.// Doe maar niet.// Doe maar niet, schat luidt één van de weinige leesbare regels. Oosterhoff wist bij mij de diepere snaar te raken. Zijn bewegend handschrift spreekt het buikgevoel aan. Ook dit boekje ligt bij mij thuis in het vitrinekastje uitgestald maar mocht er ooit zo'n handschreeuwtekening op posterformaat komen dan zal hij de bezoekers van dit huis in de hal begroeten.
Dienen de visuele boekjes van van Lier en Oosterhoff enigszins een bibliofiel doel (niet denigrerend bedoeld, maar het zijn zonder twijfel 'hebbedingetjes') bij Arnoud van Adrichem gaat het om louter tekst. Buiten is een bijzonder geslaagde 'road poem' die inzet met de ontregelende regel: Wie zegt dat/ een gedicht bij de eerste regel begint?/ Stap in. en nonstop doorgaat tot de laatste regel: Wie zegt dat/ een gedicht bij de laatste regel eindigt?/ Stap uit. Wie het debuut van van Adrichem, Vis, heeft gelezen zal meteen de stijl en de toon herkennen. Buiten maakt gebruik van dezelfde imperatieve, dwingende stem. Waarom is die beginregel zo ontregelend? Wellicht omdat de lezer vanaf het begin alle houvast verliest: Ik ga een gedicht lezen, zo denkt de argeloze lezer, maar meteen wordt hij met de neus op het feit gedrukt dat het gedicht al eerder begonnen is, ergens buiten deze tekst, en ook verder gaat na de laatste regel. Een gedicht kortom waarvan de eerste en de laatste regel (nog) niet geschreven zijn. Eenmaal ingestapt wordt stilaan duidelijk waar het van Adrichem om te doen is: dit ritje met de auto is een metafoor voor hoe een gedachte ontstaat, zich ontwikkelt, zich vergist, de weg terugvindt, op niets uitloopt, geen richting heeft, alleen afstand. Hoe verloopt het denken? Hoe werkt taal? En hoe verhoudt het gedicht zich tot deze twee? Rond deze triade is Buiten opgebouwd. De gedachte stapt in het vehikel van het gedicht en begeeft zich op weg, zich betrouwend op de mechaniek van de taal, afgeleid door het geluid van het woord. De rit biedt gelegenheid tot vele zijsprongen, dwalingen, grappige oneliners, invallen en ontsporingen. Frappant zijn de allusies op Frankrijk en de Franse (filosofen):
U hebt uw twijfels over Frankrijk:/ mensen lijken slimmer/ als ze Frans praten. (die laatste mag wat mij betreft een nieuwe spreuk worden of in een tegeltje worden ingebakken)
Niemand kon iets/ dodelijkers bedenken/ dan de uitvinding van het wiel. Ook de Fransen niet.
De zon belemmert de toegang tot Parijs.
In elk gedicht/ zit een achtervolgingsscène./ Zijn het Fransen?
Ingesnoerd leven wij het meest./ Dat weten ook de Fransen.
Bestaat dat hele Frankrijk wel?
Met deze roadpoem zet Van Adrichem de lezer aan het denken over het denken. Buiten kan je beschouwen als een carrosserie (vier wielen en een hart) waar om het even welke motor (gedachte) inkan en die op gang wordt gebracht door de brandstof van de poëzie. Onderweg is het smullen van de verwijzingen (Te veel films hebt u gezien > Van Ostaijen), woordspelingen (in de berm/ ontploffen de klinkers/ van honderden zinnen.) en sofismen (Altijd gaat ergens de zon onder.) Op zijn manier heeft deze bundel uiteindelijk ook iets bibliofiels: het hoger genot één van de ingewijden te zijn.
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Mooi stuk zeg, Jan!
Geplaatst door: RHCdG | 19-4-09 om 21:11
Merci! Rutger, om het nu eens in 't Frans te zeggen... :)
Geplaatst door: jan Pollet | 19-4-09 om 22:36