Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Watou - Gwy Mandelinck antwoordt | Hoofdmenu | Hoort poëzie nog in een bundel thuis? »

29 april 2009

Het eerste gedicht (2): Ester Naomi Perquin

Vandaag deel 2 van een nieuwe, 30-delige reeks: Het Eerste Gedicht. 30 keer (2 per week, op zaterdag en woensdag, te verschijnen) schrijf ik een stukje over evenzoveel openingsgedichten van min of meer recente dichtbundels. Recent wil zeggen: niet al te lang verschenen. Dus ik hou een flinke slag om de arm, van minimaal 2 jaar. Ik bespreek alleen de tekst van het gedicht, en maak geen gebruik van informatie uit de rest van de bundel of uit andere bronnen waarin de dichter zich over zijn of haar werk uitspreekt. Vandaag: het eerste gedicht uit de bundel Namens de ander van Ester Naomi Perquin.

Risico's

Onze gebruikelijke kamer. Geheel volgens afspraak richten de muren
zich op. Het raam ontvouwt, compleet
 
met gesloten gordijnen. Dit zou het begin van de nacht kunnen zijn
of het eind van de dag. Vormvast schemerdonker,
 
wat grappen over daglicht dat minder en minder verdraagt. De geur
van hout en overrijpe mandarijnen.
 
Kijk, daar komen de kastjes tevoorschijn, het tweepersoonsbed
tekent zich af met de lakens en dekens,
 
de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag. Eenmaal beneden
hernemen we onze gezichten, schuiven we aan
 
en het uitzicht vult de kozijnen: landerijen, drie wankele bomen.
We weten al lang wat we nu zullen nemen:
 
het voorgerecht dat steevast tegenvalt, de biefstuk en de appeltaart.
We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels
 
iets beters betalen. Het regent hier de meeste dagen van het jaar.
Het grootste gevaar dekt ons toe
 
met dezelfde plek, dezelfde kamer. We wagen ons gewoontes in,
hebben ons lief. We herhalen.

De afgelopen week heb ik dit gedicht een keer of twintig proberen te lezen. Tijdens mijn lectuur kreeg ik er geen "vat" op. Dat ligt ongetwijfeld aan mij, hoewel het gedicht niet echt van het meewerkende soort is. Het opent in 9 disticha zo'n bonte waaier aan beelden, stemmingen en stijlen - te veel, bijna.

Risico's is een titel die de verwachting aanblaast. Nu gaan we het krijgen. Dat krijgen we dan ook, in de vorm van "Onze gebruikelijke kamer." Niet echt een gevaarlijk leven, vol risico's, maar als milde paradox niet onaardig.

Dan komt er een zin die de aandacht voor het eerst verlegt. De muren van de "gebruikelijke kamer" richten zich op. Die wáren er eerst nog niet. Of: die zijn er vooral in het hoofd. Of: die tekenen zich af als we het licht in de "gebruikelijke kamer" aandoen. Zoiets. Het is een besloten ruimte, want het raam maakt zich kenbaar 'compleet // met gesloten gordijnen."

Na de beschrijving van de locatie, krijgen we de bepaling van tijd. Begin nacht, einde dag. Vooravond? Zoiets, want er is "vormvast schemerdonker" voorhanden. Twee mensen, denk ik, zijn in een al dan niet fictieve kamer waarin ze, met de gordijnen dicht (afgesloten van de buitenwereld?), de (voor)avond beleven.

Dan ineens die grappen, of beter, die woordspeling, over het almaar minder verdragende daglicht. Een beetje flauw. Ik snap ook niet waarom de zin hier ineens opduikt. Net zomin als ik "De geur / van hout en overrijpe mandarijnen" kan plaatsen, maar dat komt omdat ik nooit op reis ga en dus ook geen nieuwe indrukken opdoe. Zou de (imaginaire) kamer in een ver, (warm) buitenland staan?

Misschien wel, maar eerst komen er nog een aantal meubelstukken tevoorschijn (na het aansteken van nog meer lampen?) en zien we een tweepersoonsbed met "de lakens en dekens"; heel ouderwets opgemaakt, wat op een vorm van toerisme zou kúnnen wijzen. Net als die sprei, die precies ligt waar hij lag, waarbij de vraag zou luiden: waar hij ooit lag, of waar hij zonet lag.

De aard van de vlek is verder onbestemd. Is het gewoon een groezelige sprei, in een mors hotel? Of is de vlek het resultaat van een in de (imaginaire) kamer beleefd herdersuurtje? We weten het niet, en komen het ook niet te weten. Want het perspectief verschuift, naar de benedenverdieping.

Daar hernemen "we" hun gezichten, wat of duidt op een duidelijke scheiding tussen het gezicht dat men boven, in de kamer opzet, als men samen is, in een (saai? uitgedoofd?) op elkaar betrokken verband,  en het gezicht dat men voor beneden reserveert - óf het ging daarnet bij die sprei toch over een herdersuurtje en de gezichten trekken weer een beetje in de dagelijkse plooi.

Hoe het ook zij, de hoofdpersonen schuiven aan en zien ineens het landschap buiten. In tegenstelling tot boven zijn de gordijnen hier geopend, blijkbaar. Het uitzicht is niet ravissant. "Landerijen, drie wankele bomen." Niet echt een landschap om meteen een literaire reis heen te organiseren.

Nu komen we te weten dat het gedicht zich inderdaad in een hotel of pension afspeelt. Het eten wordt besteld, en dat is net als de kamer ("Onze gebruikelijke kamer"), met het bekende meubilair, een verplicht nummer (excusez le mot). De opsomming van de maaltijd (die wel énig, maar geen definitief culinair uitsluitsel geeft) wordt gevolgd door een hele droge constatering: "We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels // iets beters betalen."

Mensen in een hotel, ergens, in een of ander buitenland waar ze biefstuk eten en appeltaart, die uit gewoonte of om de herinnering levend te houden steeds terugkomen. Zoiets moet het zijn. Boven is de vertrouwde kamer, schemerig, en beneden zijn het uitzicht en het eten.

Echt voor de leuk hoef je er trouwens niet te komen. "Het regent hier de meeste dagen van het jaar." Zeikweer. Maar blijkbaar weerhoudt dat de mensen in het gedicht niet. Waarom?

Daar raakt de dichter in de laatste drie regels aan. Die begrijp ik niet, als ik ze letterlijk lees. "Het grootste gevaar dekt ons toe // met dezelfde plek, dezelfde kamer." Dus, niet wij worden door onze kamer beschermd tegen het grote gevaar, nee, het grote gevaar dekt ons, alsof het een moeder is, toe, mét de kamer. Een drastische manier om mensen te beschermen, maar goed, het gaat hier dan ook om het grootste gevaar.

Deze zin wordt gevolgd door nog zo'n breinbreker: "We wagen ons gewoontes in, / hebben ons lief. We herhalen." Het eerste zinsdeel is te vatten, het tweede ook. Net als het derde. Maar als geheel maken ze op mij de indruk van een zekere... wel, herhaling. Alsof deze twee zinnen het hele gedicht uitleggen, en helemaal niets uitbeelden.

Zoals gezegd: het gedicht is er bijna te veel aan. Bij zorgvuldige lezing, strofe voor strofe, zie ik na verloop van tijd wel waar de dichter heen wil (de liefde celebreren in een rituele omgeving, of: de liefde celebreren als een ritueel; beide inzetten zijn met risico's omgeven) - maar de dichter maakt van het gedicht eerder een net iets te grote deken die over alles heen ligt dan een technisch volmaakt maatpak dat ons de adem beneemt door zijn mooie snit.

Dit kan berusten in een verschil tussen Perquins poëtica en de mijne. Misschien ben ik te streng, of vind ik te snel dat woorden en zinnen net zo goed gemist kunnen worden in een gedicht. Misschien. Maar dit gedicht, met een intrigerend thema en een aantal welgekozen motieven, waaiert alle kanten op, en laat zich - niet uit principe maar omdat het naar de vorm niet beheerst genoeg is en waar het de taal betreft te weinig verrast - niet vatten.

Of, laat ik het anders zeggen: hoe vaak ik het ook lees,er blijft niet meer dan een verzameling vage indrukken bij mij achter.

Reacties

lisette waterschoot

Een iets andere lezing.
Ze komen in een kamer die ze kennen, botsen desondanks toch bijna op de muren omdat de gordijnen dicht zijn. Maken een onnozel grapje als ze die opentrekken: ze zien elkaar hier in het geheim. De mandarijnen en kastanjes verwijzen misschien naar iemand uit Azië, naar een al wat overrijpe minne. Maar vermits ze niet meer weten of het dag of nacht is, hebben ze elkaar waarschijnlijk direct besprongen.
Dan komen weer de te gewone zakelijke dingen duidelijker te voorschijn, als ze het daglicht dan toch maar binnen laten.Ze vouwen hun gezicht in de juiste plooi.
Beneden is dat trouwens allemaal al gebeurd en geweten. Zo een plaats is het . Ze kunnen ondertussen al iets beters betalen, in een warmere omgeving, maar ze doen het niet. Er zijn de landerijen, wat een nostalgisch woord.
Ze storten zich in altijd dezelfde liefde, met het grote risico van gewoontevorming, van de verrassing die er ineens niet meer zou kunnen zijn, maar die landerijen, ach, zijn gebleven.
De kamer kan ook gewoon hun kamer van alledag zijn en zij geen al te beste kokkin. Tenslotte is het een gedicht over wat was, wat is en wat zou kunnen.

Wilma van den Akker

De grappen over het daglicht dat steeds minder verdraagt lees ik nu als een signaal van veroudering. Twee geliefden komen al jaren samen in dezelfde hotelkamer, beminnen elkaar, herhalen... Het risico zou kunnen slaan op het feit dat ze elkaar in het geniep ontmoeten?

Joris Vechter

Kom kom, Chreetien. zo moeilijk is ie niet. Net zo lang vreemd gaan voor de spanning tot het niet meer spannend is. Misschien snap je nu waarom het daglicht de flauwe grap verdraagt. Het is een leesrichting, denk je niet.

Best knap trouwens, voor iemand van 28, om zo'n streepjespyjama te schrijven...

Chrétien Breukers

Joris, reageer nu eens gewoon onder je eigen naam. Dan laat ik je reacties gewoon onder de berichten hangen.

Willem Thies

Als je het gedicht *wel* in relatie zou plaatsen tot de overige gedichten in de bundel (bijvoorbeeld 'Verandering')(maar dat is niet het format), dan lijkt de lezing waarin het om de gewoonten van een (vast) stel (een langdurige realtie) gaat, aannemelijker dan die waarin het om een 'buitenechtelijke' relatie / een affaire gaat.

Het zou om een affaire *kunnen* gaan, maar behalve de titel (die misleidend is) en de associatie met groezelige motels waar in Amerikaanse films doorgaans wordt afgesproken om 'heimelijk de liefde te bedrijven', is er weinig wat daarop wijst.

De regels 'We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels // iets beters betalen.' lijken eerder te duiden op een vaste, langdurige relatie (of, maar dit is minder waarschijnlijk, op een affaire die zich al vele, vele jaren voortsleept). Dat Wilma van den Akker de woorden 'daglicht dat minder en minder verdraagt' met dit zienderogen ouder (ge)worden (zijn), lijkt mij alleszins plausibel.

Ook de slotregels breng ik in verband met een vaste, langdurige relatie.

(Overigens, als het *toch* over een, jarenlange, affaire gaat - die lezing is mogelijk - dan inderdaad, zoals Joris zegt, over een affaire waarin zich ook al vaste patronen voordoen, waarin gewoontes zijn ingesleten, zodat het gevaar ('Risico's') dreigt, dat de spanning langzaamaan ook uit deze heimelijke 'fling' verdwijnt.

Het gaat denk ik dus simpelweg over gewoontes, patronen binnen een vaste, langdurige relatie, een (al dan niet getrouwd) stel, een (echt)paar - een paar dat blijkbaar ieder jaar naar hetzelfde pensionnetje gaat, en daar dezelfde maaltijd bestelt, en hetzelfde uitzicht... etc, terwijl het inmiddels, na al die jaren, al is gestegen op de economische ladder. Gewoon, uit gewoonte, uit trouw aan elkaar en de plaats, omwille van de herinnering, nostalgie, traditiegetrouw, misschien uit een gebrek aan durf en fantasie.

Of, zoals Breukers het (mooier) zei: 'de liefde celebreren in een rituele omgeving, of de liefde celebreren als een ritueel.' Inderdaad als een ritueel, in een vaste vorm, volgens vaste voorschriften.

Blijft over die titel: ik vatte die ironisch op. Je zou hem ook bloedserieus kunnen opvatten; je begeeft je op gevaarlijk terrein, als je iedere verandering / vernieuwing / verrassing risico mijdt.
Dat kan funest zijn. Het risico van risicoloosheid. Geen ironie, maar een paradox dus.

Overigens ben ik het grotendeels eens (want bovenstaande gaat allemaal over de *inhoud*) met Breukers' commentaar op het stilistische vlak. Het is onmiskenbaar een knap en vaardig geschreven gedicht, maar wel wat redundant. Het is uitgesponnen.
Het beantwoordt niet aan het adagium 'show, don't tell', het einde is inderdaad een soort conclusie, en een aanwijzing hoe het gedicht te lezen: het legt meer uit dan het uitbeeldt, zoals Breukers zegt.

Maar het is wel een uiterst *kloppend* gedicht, het steekt goed in elkaar, het is helemaal 'rond'. Tja, moeilijk, ik sta er dus ambivalent tegenover. Het is goed, zonder meer, maar ik heb bepaalde reserves.


Gert de Jager

Show, don’t tell – in welk padvindershandboek staat dat dat een adagium is? Als we alle poëzie die af en toe neigt naar het aforistische naar de buitengewesten verbannen, wordt het erg rustig in het centrum. Geen Bloem meer, geen Vasalis, geen Kouwenaar. Geen Shakespeare, geen Goethe, geen Kavafis. Geen Eliot, geen Milosz, geen Ginsberg. Om maar een paar uiteenlopende types te noemen.

Het ‘adagium’ komt trouwens van de romanschrijver Henry James. Waarom moet een dichter uit de eenentwintigste eeuw zich houden aan een voorschrift van een negentiende-eeuwse estheet die vooral gericht was op de psychologie van personages? Ik vraag het u af, mijne heren.

Het probleem dat ik heb met Perquins gedicht is dat het juist zo braaf is en zo weloverwogen poëtisch. Alsof het alleen maar aan adagiums/-a gehoorzaamt. Twee scènes: in een hotelkamer en in een eetzaal en vervolgens een – inderdaad - paradoxale conclusie over mekaar liefhebben als noodzakelijke gewoonte en het gevaar van relatieroutine. Een well made poem zoals er well made novels bestaan. Vakmanschap, meesterschap. Met een glas wijn in slaap vallen voor de open haard. De hond blaft. Of niet. Het maakt helemaal niets uit.

Hans van Willigenburg

Dit kan een komische serie worden. Ik herinner me het bundeltje 'Heremijntijd' van G. Komrij, waarin, meen ik, eerste alinea's van romans werden besproken. Zelden zó gelachen en zó genoten: hoe schijnbaar eenvoudig hij reputaties aan flarden schoot. Welk gedicht is overigens bestand tegen de 'close reading'-methode in handen van een getalenteerde hooligan? Alleen de Héééle Grote!

Willem Thies

Alvorens mij in het Oranjegedruis te storten toch een opmerking aan Gert.


Gert, dat is precies mijn punt. Het gedicht is o v e r d u i d e l i j k van zichzelf. Noem het wat je wil. Haal voor mijn part niet de padvindersspreuk 'Show, don't tell' van stal. Maar je zal het met mij eens zijn dat het gedicht nogal... expliciet is. En dan gebruik ik 'expliciet' als het omgekeerde van 'suggestief', als synoniem van 'uitgesproken', 'duidelijk' (in zijn boodschap, in hetgeen het beoogt te vertellen), en ook in de zin van 'uitleggerig'. Er worden al legio voorbeelden gegeven van de 'gewoonten', rituelen, etc., ten slotte wordt hetgeen al zonneklaar is ook nog eens in een soort 'conclusie' gegeven.
Dat is mijn bezwaar. Dan kun je gaan name droppen wat je wil, ik blijf erbij.

Verder vind ik net als jij dat het gedicht knap en vaardig geschreven is. Het woord 'weloverwogen' dat jij gebruikt, neem ik overigens ook in de mond in mijn bespreking van 'Namens de ander' van Perquin, te vinden op Poezierapport. Ik vind het gedicht - ook - getuigen van vakmanschap, zoals jij, tegelijk vind ik het enigszins... steriel, klinisch, koel... Zoiets merkte Erik Lindner ook op over de poezie van Perquin: zij is zo 'af'.

In jouw woorden: braaf, volgens het boekje.

In mijn woorden: er is geen speld tussen te krijgen, de gedachte is te zeer uitgewerkt, uitgekauwd. Desalniettemin: een heel intelligent en - inderdaad - ambachtelijk geschreven gedicht. Goed zelfs. Maar raakt het? Is het mooi? Ik weet het niet, ik twijfel.

Maar uiteindelijk is het - zoals Breukers zegt - een kwestie van het botsen van poetica's. Zelf houd ik erg van beeldende poezie 'zonder meer', helder of duister, herkenbaar en toegankelijk of juist weerbarstig. Een gedicht is geen essay en hoeft wat mij betreft niet 'uit te monden' in een conclusie.

Ik beperk me tot het noemen van 1 naam, een Nederlandse nog wel: Erik Lindner. Hij laat enkel zien, legt niets uit. Mooie, suggestieve poezie, als je het mij vraagt. Geen conclusies, geen 'aanwijzingen' hoe het gedicht te lezen. Overigens is Breukers ook geen groot fan van Lindner.

Van de andere kant: ik ben ook een groot liefhebber van de poezie van Menno Wigman: deze is ook heel beeldend, maar doet wel 'duidende' uitspraken. Tja, nu weet ik het niet meer. Ik heb blijkbaar niet 1 toetssteen of maatstaf aan de hand waarvan ik alle gedichten kan beoordelen.

Maar zo'n rijtje namen opsommen vind ik geen argument. Drogreden.

Hoe dan ook, ik vind het een interessant format, een staaltje 'close reading', zoals Hans hierboven zegt. Als dichter word je dan erg geconfronteerd met wat je precies zegt, en waarom je dat zo zegt, en niet anders; elk woord moet gerechtvaardigd worden - een goede zaak, denk ik...

Gert de Jager

Nee hoor, geen drogreden. Jij komt met een adagium en ik noem een paar namen van dichters die aan dat adagium geen boodschap hadden. Mooi dat je daar zelf Wigman aan toevoegt.

Wat mij betreft bestaan er geen adagia en zelfs geen criteria. Neem explicietheid: ik ben het eigenlijk wel met je eens - poëzie moet suggestief zijn enz. Vervolgens lees ik Whitman of Ginsberg en dan blijft er van dat mooie criterium helemaal niets over. Goede poëzie is net zo adhoccerig als het volle leven zelf. Gelukkig maar.

Hans van Willigenburg

Close-reading is een wetenschappelijk 'achterneefje' van het positivisme. Het kan, zoals Thies aangeeft, welliswaar nuttig zijn ter disciplinering van een bepaald dichterschap of gedicht, maar veel van de allernieuwste poëzie (waaronder flarf) poogt zich naar mijn inschatting te onttrekken aan het paradigma van dat positivisme. Ben benieuwd óf Chrétien ergens ergens uitkomt bij het close readen van 'Het leven van Kant, van Hegel' (Wijnberg), en zo ja, wáár hij uitkomt.

RHCdG

Toch nog een paar vragen van spuit elf, als het me toegestaan is. Bij voorbeeld: als dit gedicht zo 'braaf' is - wat ik in het licht van Pfeijffers opvattingen haast een pluspunt vind - en als het ook zo weinig 'beeldend' wordt gevonden, waarom blijven de beelden die het gedicht levert in de commentaren dan zo buiten beschouwing? Heeft iemand al iets gezegd over die overrijpe mandarijnen, die geur van hout? Of vergeten we die maar, om dan de conclusie dat het gedicht niet beeldend is met des te meer kracht te kunnen trekken?

Volgens mij doet het gedicht niet anders dan beelden tevoorschijn toveren, vanaf de eerste zin en met gemiddeld twee nieuwe per strofe, op de laatste na. Ja, het zijn er zoveel dat ik haast denk dat het wel eens het onderwerp van het gedicht zou kunnen zijn! Alleen: hoe bestendig zijn beelden? Anders gezegd: wie houdt het vol een leven lang te dromen? Kan dat wel, als er volwassen moet worden geworden, geld moet worden verdiend? Helaas, zelfs de dichter lukt dat niet, en dus neemt ze, nadat de droom werkelijkheid is geworden - 'de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag' - haar beelden weer terug: 'hernemen we onze gezichten' staat er, en meteen daarop '(vult) het uitzicht de kozijnen': de regenachtige werkelijkheid, met zijn eeuwige biefstuk en appeltaart, herneemt zijn rechten.

Wat is er eeuwig: dat wat blijft - de grauwe werkelijkheid - of dat wat terugkeert, volgens afspraak - het ene beeld na het andere? Misschien is dat 'het grootste gevaar': geen onderscheid meer kunnen maken tussen die beide. Een heel mooi, intrigerend gedicht.

Femia Cools

Ik vind het wel wat, hoewel ik niet hou van overduidelijk herkenbaar. Geef me iets nieuws, wil ik roepen bij dit gedicht.

Het doet me denken aan een prachtig gedicht van Jennifer Jerome, Quiet time:

We mark this new room. Darkness inks the sky,
strange ivy eating context from the view:
some graveled road, curling into dust. ....

Willem Thies

Rutger: ik vind dit gedicht wel degelijk beeldend. Ik zei iets als ik houd van beeldend *zonder meer*, dus zonder uitleg, en zonder *al* te grote duidelijkheid, uitgesprokenheid, explicietheid. Natuurlijk bevat het gedicht beeldend en is het, zoals jij zegt, zelfs zintuiglijk.
Maar wat mij betreft is het wel (over)duidelijk, zelfs redundant. Er worden al zeer vele voorbeelden van gewoonte/routine/patronen/rituelen/vaste vormen gegeven, een hele opsomming: 'Onze gebruikelijke kamer', 'geheel volgens afspraak', 'vormvast' 'de sprei (...) ligt precies waar hij lag', 'We weten allang wat we nu zullen nemen', 'steevast', 'de meeste dagen van het jaar', 'dezelfde plek, dezelfde kamer'. Dat is misschien wat *al* te duidelijk uitgewerkt, uitgesponnen, onderstreept.

Na al deze voorbeelden van gewoonte volgen ook nog eens de regels: 'We wagen ons gewoontes in, (...) we herhalen.' Die conclusie is op zijn minst... evident te noemen. Zonneklaar. Misschien zelfs overbodig. Of je kunt hem laten staan, maar dan snoeien in de voorbeelden van gewoonten.

Of is dat juist de bedoeling: het gaat immers om herhaling, repetitieve handelingen; dus varieer je op hetzelfde motief...?

Maar nogmaals, ik vind wel degelijk dat het een beeldend gedicht is; dat Perquin over een beeldend vermogen beschikt; het gedicht is niet beeldend *zonder meer*, het legt aan, wijst aan, onderstreept, maakt in een conclusie duidelijk wat al duidelijk was.

RHCdG

Beste Thies,
Je ziet alles heel goed vind ik, vooral ook omdat je je best doet het gedicht te 'begrijpen', wat ik al heel wat vind - alleen kom je tot een andere conclusie dan ik. Ik vind het gedicht helemaal niet zonneklaar of duidelijk. Ik vind het juist in hoge mate dubbelzinnig. Neem die zin 'de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag.' Dat is het moment waarop de liefde in die kamer wordt geconsumeerd, waarin de droom dus overgaat in de werkelijkheid - en meteen daarna valt de droom ook uit elkaar, worden de gezichten hernomen, en grijnst de grauwe werkelijkheid het paar weer aan. De droom loopt onvermijdelijk uit op een soort sleur - de sprei ligt op dezelfde plek - maar tegelijk is die sleur wat het leven de moeite waard maakt: je moet ergens in geloven, het leven omarmen, en elke gebeurtenis "willen", in zo hoge mate dat je de eeuwige wederkeer ervan (cf. Nietzsche) zonder meer aanvaardt.
'We wagen onze gewoontes in': dubbelzinniger kan toch haast niet? Het is als met Luceberts luchtmens, voor wie niets vanzelfsprekend is, die voortdurend de afgrond onder zich weet, maar die die afgrond liefheeft, omdat die de voorwaarde is voor een bestaan dat die naam waardig is. Dat zijn de 'risico's' die hier worden gezocht, en die niet synoniem zijn aan het 'grootste gevaar', nl. wanneer je het er bij laat: dan ben je 'verloren voor de poëzie', en voor het leven.
Het mooie aan het gedicht vind ik dat het 't leven affirmeert, terwijl de uitkomst van alle inspanningen al bekend is, en voor wie de balans opmaakt alleen maar teleur kan stellen. Maar waarom de balans opmaken? Je moet gewoon leven, en niet denken aan uitkomst of resultaat. 'We herhalen', dat is geen uiting van verveling, maar van blijdschap om het feit dat het leven althans díe mogelijkheid biedt, en we niet in een eeuwige eenvormigheid gevangen blijven - die volgt vanzelf wel, later, als het heel donker wordt, en nooit meer licht.

Nog iets anders: ik denk dat dit gedicht niet als het verslag van een chronologische reeks gebeurtenissen moet worden gelezen - waartoe het regel voor regel lezen zo vaak uitnodigt - maar diachronisch: de gebeurtenissen lopen door elkaar heen, min of meer vergelijkbaar met "L'Année dernière à Marienbad": ook daar herhalingen, dromen, kamers, gebeurtenissen op verschillende niveaus, in verschillende tijdsorden.

Willem Thies

Als je het zo brengt... Dat is het mooie van een leeservaring/-sensatie... Als dit er voor jou allemaal in doorklinkt, meeresoneert - Nietzsche,'Der ewige Wiederkehr des Gleichen', misschien dan ook Kundera's 'The Unbearable Lightness of Being'?, inderdaad het Lebensbejahende, dat die telkens terugkerende gebeurtenissen niet meer beangstigen maar dat je ze juist omarmt, waardoor al die parallelle gebeurtenissen als het ware een trillende keten vormen die haaks staat op de chronologische werkelijkheid(sbeleving), waardoor deze opeens vreemd - maar niet onprettig - ijl en licht wordt,Luceberts luchtmens - dan wordt het gedicht inderdaad veel gelaagder, veel dubbelzinniger. Leve die associaties dus! misschien moet ik mijn mening herzien...

Zo werpt de Zwaan-Kleef-Aanmethode van Henny Vrienten toch haar vruchten af (en hoeft zij niet beperkt te blijven tot alleen de poezie; ook de filosofie wordt erin betrokken; hopelijk ook nog een keer de Tweede Wereldoorlog en de nazi's...)

Hans van Willigenburg

Het close-readen van, bijvoorbeeld, Wijnberg, nodigt mij hoogstens uit tot het zelf schrijven van een gedicht, dat begint met de regel:

'Ga d'r maar aan staan: een klopboor in een wolk zetten'

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...