Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Komrij schrijft Dictee | Hoofdmenu | Verzamelbundel Y. Né verschenen »

25 april 2009

Het eerste gedicht: David Troch

Vandaag deel 1 van een nieuwe, 30-delige reeks: Het Eerste Gedicht. 30 keer (2 per week, op zaterdag en woensdag, te verschijnen) schrijf ik een stukje over evenzoveel openingsgedichten van min of meer recente dichtbundels. Recent wil zeggen: niet al te lang verschenen. Dus ik hou een flinke slag om de arm, van minimaal 2 jaar. Ik bespreek alleen de tekst van het gedicht, en maak geen gebruik van informatie uit de rest van de bundel of uit andere bronnen.

Deel 1 gaat over het eerste gedicht van de bundel laat[avond]taal van David Troch.

aanloop

het begon met letters voor je naam
toen vis en pijp en rookte grootva
zich dood. het was fris bij zijn

begrafenis. oude mensen bewogen
in schokjes het hoofd, oma kneedde
haar neus in iets rood. hier leg ik mijn

Dit is het eerste gedicht uit het debuut van David Troch. Een omineuze titel, derhalve. De dichter neemt een aanloop en wat krijgen we dan? In den beginne zijn er de letters van een naam. Daarna leert iemand lezen (vermoed ik). Dan gaat opa dood. Op zijn begrafenis zijn veel oude mensen. Oma heeft er een zakdoek bij. Om te eindigen met een onafgemaakte zin, waarmee de dichter ons het volgende gedicht in probeert te trekken.

Als ik het eerste vers letterlijk lees, zou er ook kunnen staan: het begon met letters voor je achternaam, met doopnamen. In de aanloop naar zijn verdere leven, wordt de dichter gedoopt. Het eerste vers duidt daarom, bij uitbreiding, op twee dingen: op de naamgeving van een pasgeborene, en op de doop(namen) die de pasgeborene krijgt toegekend.

Het tweede vers is ingewikkelder, althans, het eerste deel ervan is dat. Toen kreeg hij vis te eten en een pijp te roken lijkt me, eerlijk gezegd, zelfs in een Vlaamse context al te gortig. Verwijst Troch naar het gedicht 'Marc groet 's morgens de dingen'? Over het olijke visserke met zijn pijp en zijn pet. Is iets voor te zeggen, als je het gedicht van Van Ostaijen eveneens opvat als een soort opstap, niet voor een dag, maar voor een bundel of oeuvre.

De leesplank waarmee ik ben opgegroeid, bevat de woordcombinatie vis vuur - dat bevat misschien ook een sleutel. Vis neemt Troch letterlijk over, het vuur zou je kunnen zien als het vuur, waarmee de opa uit het tweede deel zijn pijp opstak. Deze pijp is hem, in een lelijke apokoinou, niet erg goed bekomen, integendeel. Hij is de pijp uitgegaan; sorry, ik kon het even niet laten.

De tweede strofe is eerder een afwikkeling, dan een toevoeging die het poëtische hart doet opengaan van pure liefde. Die oude mensen, die in schokjes hun hoofd bewogen, nee, dat vind ik een wat... schokkerig beeld. Helaas geen beeld dat de gebaren uitbeeldt; en wat dat te maken heeft met dat het fris was tijdens de begrafenis, dat weet ik niet. Of moesten de oudjes een beetje rillen?

'oma kneedde / haar neus in iets rood' - daar denk ik de hele tijd een -s achter. Tenminste, als het bedoeld is als in: een zakdoek.

Bij de laatste vier woorden moet ik denken aan een strofe uit 'nazomer' van Lucebert:

ik heb in het gras mijn wapens gelegd
en mijn wapens gaan geuren als gras
ik heb in het gras mijn lichaam gelegd
mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet

Alsof de dichter, in dit miniatuur vol verwijzingen, zijn wapenen aan onze legt, of in elk geval aankondigt dat hij dit gaat doen. Ik ben benieuwd.

Reacties

Philip Meersman

heel interessant gegeven. Ik kijk uit naar meer

Gert de Jager

Een mooi initiatief.

Dat je geen gebruik maakt van andere bronnen, klinkt wat raar als je in deze zes regels een leesplankje, Van Ostaijen en Lucebert ontdekt. Als je een verwijzing tegenkomt die je niet meteen thuis kunt brengen, loop je dan niet naar de boekenkast? Wanneer er nadrukkelijk wordt gepreludeerd op een slotgedicht, laat je dat dan buiten beschouwing?

De strofe die jouw poëtisch hart wat minder doet opspringen, bevat wat mij betreft nou net de meest intrigerende regel: die van de schokkerige hoofden. Meer dan in de rest van het gedicht zie ik hier ook werkelijk een beeld en word ik een beetje uit de vertrouwde poëtische geheimzinnigheid van de regels daarvoor getild Een causaal verband met de weersgesteldheid lijkt me niet nodig. Tijdens een begrafenis is er iets meer aan de hand dan weer en die oude hoofden bewegen niet zo soepel meer. Gezien de titel en de (enigszins belegen) truc met de slotregel lijkt het Troch bovendien meer te gaan om het weergeven van een setting dan om een perfect afgehecht geheel.

Erwin

Erg fijn plan. Wat mij betreft een stuk interessanter dan al die aankondigingen en nieuwsfeitjes.

Erwin

Misschien alleen wel handig om (ook) het hele gedicht te plaatsen, bedenk ik me nu.

Chrétien Breukers

Hallo Erwin, dit ís het hele gedicht.

Chrétien Breukers

Hallo Gert, dank voor de aanvulling. Ook dáár gaat het om. En of ik niet soms toch even smokkel? Uiteraard.

Erwin

Ah. Het eindigt dus met 'hier leg ik mijn'? Hm.

Martin Bloks

Bij:

'oma kneedde/haar neus in iets rood'

is het denk ik niet de zakdoek die rood is, maar de neus zelf die tot iets dat rood is verwordt en niet meer als neus herkenbaar is. Misschien door het vele gebruik van een zakdoek.

Ik vind het verfrissend dat je het gedicht probeert te ontleden zonder er een duidelijk waardeoordeel aan te hangen.

Maurice Buehler

Zakdoekje leggen,
Niemand zeggen,
Ik heb de hele nacht gewaakt.
Twee paar schoenen heb ik afgemaakt:
Een van stof en een van leer,
Hier leg ik mijn zakdoekje neer.

RHCdG

'Vis' en 'rook' staan tegenover 'fris'; oma kneedt haar neus rood op de begrafenis: ze wisselt de (muffe, stinkende) lucht van opa's vis en pijp in voor wat frisheid nu hij eindelijk is opgelazerd. Het gedicht eindigt met een schok(je), het is een aanloop naar het volgende, zoals het leven een aanloop is naar de dood. Oude mensen weten dat: die bewegen hun hoofd met schokjes in de richting van de poëzie (de bundel). Frisse poëzie.

Emma Burns

Ja. Of hij legt 'hier' (in het gedicht?), het begrip Mijn neer. Eerst waren letters alleen nog bestemd voor zijn eigen naam, later moest hij die letters delen met allemaal woorden, en toen liet opa zien wat nóg een betekenis van 'pijp' is, door ook al niet meer van hem te zijn.

Maar, er staat geen punt, drie keer eerder wel. Misschien is het toch de truc dan.

Verders denk ik dat als oma haar neus kneedde tot die rood (en onherkenbaar) was zoals Martin meent, daar ook 'roods' had moeten staan.

Koenraad Goudeseune

Ik kan het gedicht niet 'ruiken', het doet zijn best te 'stinken', maar schiet qua stank hopeloos te kort. Rutger, malle jongen, frisse poëzie?

Gert de Jager

Er is alleen geen 'roods' nodig, volgens mij, wanneer de neus in iets, een zakdoek b.v., wordt roodgekneed. In dat geval vind ik dat 'iets' niet zo sterk. Het jongetje dat als het kan lezen toch een jaar of zes moet zijn, weet echt wel wat een zakdoek is.

Erwin

Heb trouwens een idee om de levendigheid op het gebied van ‘kritieken’ wat op te pompen. Ik stel voor om op mijn weblog (het meer bescheiden theater) de rubriek ‘Contra-expertise’ te introduceren, waar ik – ongehinderd door enige kennis van het Nederlandstalige poëzielandschap – hetzelfde (bundelopenende) gedicht bespreek / ophemel / fileer / links laat liggen als jij op CB. Wat mij betreft dus – ijs en kater dienende - vanaf morgen op http://www.erwinvogelezang.blogspot.com. Gratis. En volkomen glutenvrij.

Bertus Pieters

Oma kneedde haar neus niet in iets roods (iets dat rood is), maar kneedde haar neus totdat die een beetje rood (iets rood) zag. Met behulp van een zakdoek of niet. Is ook een mogelijkheid.

Gert de Jager

Ja, maar geen waarschijnlijke gezien het voorzetsel 'in' - en niet 'tot' - en de parallellie met 'rookte grootva / zich dood.' Met name dat laatste vind ik bij nader inzien een sterk argument voor 'roodkneden' als iets werkwoordachtigs.

RHCdG

Merk op nog dat beide strofen in het tweede deel hetzelfde spoor volgen:

'... rookte grootva
haar neus in iets rood. hier leg ik mijn'

'... oma kneedde
haar neus in iets rood. hier leg ik mijn'

De eerste strofe begint met 'Het begon', maar bij het begin van de tweede heeft het gedicht zijn aanloop al genomen, en dus staat er, even plompverloren als aangekondigd, het woord 'begrafenis'. Wat volgt er op diezelfde plaats in de derde, niet-bestaande strofe? Ook weer een einde, nu niet in woorden, maar als ervaring, en opnieuw even abrupt als verwacht. Het gedicht is letterlijk een 'aanloop' naar dat moment waarop het lezen ophoudt, en maakt zo de dood ervaarbaar. Het doet mij denken aan het plotselinge, maar even briljante einde van de film 'No country for old men'.

Een mooi en heel toepasselijk gedicht voor het begin van deze reeks, Chrétien.

RHCdG

Ai, dat ging even helemaal mis. Nog een keer het parallellisme van die twee strofen:

'... rookte grootva
zich dood. het was fris bij zijn'

'... oma kneedde
haar neus in iets rood. hier leg ik mijn'

Gert de Jager

Dit gedicht vormt het eerste gedicht van een bundel en in de woorden van Chrétien probeert de dichter ons met het slot het volgende gedicht in te trekken. De associatie met het einde van 'No country for old men' - ik kan er niet helemaal inkomen. Het lezen moet juist niet ophouden, als ik het goed begrijp. De grens bestaat om gepasseerd te worden.

Het perspectief is bovendien dat van een jongetje dat niets dan uiterlijkheden waarneemt: het begrafenisgedoe van rare grote mensen. Geen optimale strategie om de dood ervaarbaar te maken, lijkt mij.

Een indrukwekkend gedicht waarin dat wel ongeveer gebeurt op de manier die je schetst, is 'Een kus in Ter Kameren' van Jos de Haes - een naoorlogse Vlaamse klassieker. Het kan zijn dat een Vlaamse lezer direct de link legt en dat zou pleiten voor je interpretatie. Ik weet het niet - ik zou inderdaad moeten lezen wat op deze zes regels volgt.

Erwin

ContraExpertise

Het eerste gedicht: 'aanloop' van David Troch.

aanloop

het begon met letters voor je naam
toen vis en pijp en rookte grootva
zich dood. het was fris bij zijn

begrafenis. oude mensen bewogen
in schokjes het hoofd, oma kneedde
haar neus in iets rood. hier leg ik mijn

Of Troch inderdaad met l[aat]avondtaal debuteerde, weet ik niet, maar dit is volgens mij een schoolvoorbeeld van een gedicht van een debutant. De eigen jeugd, het overlijden van een familielid; het zijn typisch thema's die je in eerste romans of debuutbundels tegenkomt. Thema's ook die – hoewel voor vrijwel iedereen herkenbaar – al zo vaak (en zo goed) zijn behandeld, dat het lastig is om nog een originele invalshoek te vinden.

Troch is daar wat mij betreft niet in geslaagd, want het gedicht mist emotionele diepgang. Geen van de karakters komt bijvoorbeeld tot leven: van grootva weten we niet meer dan dat hij (te veel) pijp rookte en oma gebruikt een rode zakdoek om haar verdriet in op te vangen. Het is natuurlijk lastig om in een dergelijk kort gedicht mensen van vlees en bloed neer te zetten en ik vraag me dan ook af of het niet slimmer was geweest om dit miniatuurtje later in de bundel aan bod te laten komen. Misschien dat de andere gedichten, die ik niet heb gelezen, voldoende framework zouden hebben opgeleverd om 'aanloop' te kunnen waarderen. In deze 'stand alone' vorm word ik er in ieder geval niet door geraakt. Hoewel de eerste strofe een aardige lijnafbreking kent (grootva / zich dood) is de overgang tussen de eerste en tweede strofe al een herhaling van zetten. En dat binnen zo'n kort gedicht.

Niet onaardig zijn de kinderlijke taal en observaties – vooral het 'in schokjes bewegen' van de hoofden. Zo kan verdriet er inderdaad uitzien, weet ik als begrafenisveteraan; bijna alsof je naar kabbelend water kijkt. Of een kind een dame die haar neus snuit inderdaad ziet als iemand die 'haar neus kneedt' betwijfel ik. Volgens mij is het snuiten van de neus zo'n alledaagse gebeurtenis (ik zie moeders regelmatig achter hun kroost aanrennen om langgerekte snotslierten te verwijderen voordat die de designtruitjes bezoedelen) dat je mag aannemen dat een kind dat al kan lezen, weet wat er plaatsvindt. Jammer.

En dan het slot. Tsja. Hoewel ik de associatie met 'zakdoekje leggen' in eerste instantie miste (het was geen populair lied tijdens mijn schooltijd) begrijp ik ook nu nog niet precies waarom het gedicht hier wordt afgebroken. Of je de zin nu wel of niet aanvult; echt veel voegt het in mijn beleving niet toe. Misschien denkt het kind door het zien van de oma aan het liedje. En misschien wil Troch hiermee aangeven dat 'de grote boze dood' nog weinig betekenis voor de jonge hoofdpersoon heeft. Maar wereldschokkend is ook die (mogelijke) betekenislaag volgens mij niet. Ik kan me uiteindelijk niet aan de indruk onttrekken dat de beschreven gebeurtenis voor Troch grote emotionele waarde heeft. Maar deze lezer kan daar niet in meegaan; daarvoor mist het gedicht taalkundig 'pizazz', zijn de karakters te bordkartonnerig en ontbreekt dat moment van plotselinge verbazing dat goede gedichten vaak kenmerkt.

RHCdG

@Erwin,
Misschien zijn de karakters inderdaad te 'bordkartonnerig' om via de weg van herkenbaarheid emoties op te roepen. Maar ik denk dat het de dichter daar ook niet om te doen is. Het gedicht bevredigt mij door de manier waarop het in elkaar gezet is, en hoe de gegevens ervan in hun onderlinge samenhang functioneren: bijv. zo'n betekenisveld als 'ruiken' met 'vis', 'pijp', 'rookte', 'fris' en 'neus'. Of dat parallellisme in die strofen, het oude kinderwijsje waar Maurice Buehler op wees, allicht ook 't Van Ostaijen-vers van Chrétien, alhoewel het gedicht met die verwijzingen nog niet al zijn geheimen prijsgeeft. Hoe dat allemaal op elkaar inwerkt en een klein, volmaakt, hoewel ook enigszins beschadigd universum voor ogen tovert, brengt een bepaalde verwondering bij mij teweeg, en ik denk dat dat eerder de inzet van het gedicht is dan dat het de lezer terug wil werpen op wat hij al weet en kent. Daar heb je weer andere poëzie voor.

@Gert,
Het gedicht gaat wel van start vanuit het perspectief van een jongetje, maar dat perspectief is niet blijvend volgens mij: in de tweede regel staat al 'toen'. Mijn indruk is dat het gedicht in sneltreinvaart het traject van geboorte tot dood doorloopt. En het geeft van die verschillende stadia in zijn vorm een fysiek beleefbare ervaring: er is een begin, een midden (de witregel) en een eind: de niet-geschreven derde strofe. Op de plaats van 'het begon' in de 1e strofe staat op de 2e strofe 'begrafenis': die van grootva. Aan het eind van de 2e strofe staat 'hier leg ik *mijn*': daar houdt het lezen op en daarmee ook het perspectief - en toch lees ik die derde strofe, daartoe verleid door de parallel met de overgang van de 1e naar de 2e. Je leest dus wel door, maar niet om een grens over te steken, maar om het doodgaan te beleven - en eigenlijk is het me om het even of dat nu het doodgaan van het jongetje (dan dus wat ouder) is of het doodgaan als zodanig: in elk geval beleef ik het als lezer. Ik weet dat je er niet van houdt, want die leegte op de plek van de 3e strofe wordt daardoor iconisch, maar ik vind het uitzonderlijk fraai gedaan.
De overeenkomst die ik met 'No country for old men' zie is dat ook daar de dood als een soort ophouden van alles, een leegte wordt gepresenteerd (en dat hangt in die film dan weer samen met de manier waarop het Bardem-personage zijn slachtoffers doodt, nl. niet met een kogel, maar met lucht uit een hogedruk-apparaat, ook een soort leegte dus).

Tenslotte: ik vind dat het gedicht heel goed op zichzelf, als 'stand-alone' kan worden gelezen, juist doordat het lezen zelf als levensfunctie gethematiseerd wordt: het lezen van dit gedicht is als het beleven van het leven, waarvan het gedicht zelf in zijn vorm een indruk geeft. Je moet dus wel doorlezen na de 2e strofe, maar alleen om te ervaren dat het lezen daar ophoudt. Het aardige is natuurlijk dat het gedicht toch de bundel opent, en ook nog eens 'aanloop' heet. Die bereidheid om te ondermijnen wat je te zeggen hebt zie je niet veel; de meeste dichters proberen toch de een of andere boodschap er doorheen te drukken. Kennelijk is David Troch iemand die weet dat poëzie vóór alles met lezen te maken heeft, met bladeren door een bundel, erin blijven steken, het weer opnemen, teruggaan, en weer verder, zolang als je kunt, een leven lang - totdat het ineens ophoudt.

Bertus Pieters

hier leg ik mijn... Daar denk ik toch automatisch 'leg ik mijn zakdoekje neer', ook omdat er iets over een neus ( en pijproken en fris)aan vooraf gaat. Maar het aftelversje heeft zelf natuurlijk ook veel met het lot te maken. ( Je kunt daarbij redeneren dat een levensdoel - lotsafhankelijk als het is - zelden of niet bereikt wordt en ook niets met de dood - die tóch komt - te maken heeft)Naar mijn gevoel houdt de afgebroken zin een uitnodiging in om verder te lezen. 'Hier' is dan vrijwel letterlijk 'in deze bundel'. Wat dat betreft zie ik het gedicht niet als zelfstandig, maar als pure opening en uitnodiging.

S,

UHAUAHUAHUAHAUHAAUHA ZO DOOOWWM IS DICHTEN ALLEMAAL VIEZE ZWIJMELAARS XD
DOE WAT BETERS MET JE LEVEN OFZOO,
UHM BUNGYJUMPEN?

RHCdG

Een proeve van flarf veronderstel ik, die mooi aanvangt met een spasmodische kramp: een uiting van het "Es" die nog in dezelfde regel onmiddellijk aan censuur wordt onderworpen met behulp van een stukje ideologie; in r. 3 ontaardt het lyrisch subject dan in regelrecht moralisme, om zich in de laatste regel, na een korte herneming van het aan Artauds "Theater van de wreedheid" herinnerende vocabulaire, ten slotte gewonnen te geven aan de fatale combinatie van kapitalisme en schizofrenie.

Te wijzen valt verder op de letters 'XD' (r. 2) die in al hun onbevattelijkheid - duiden ze een code aan? een programmaversie? - mooi contrasteren met het nostalgisch gespelde 'OFZOO', waaruit ten slotte de conservatieve agenda van dit specimen van laatpostmodernisme voluit aan de dag treedt.

Mag in Komrij's aanstaande bloemlezing niet ontbreken, dunkt mij!

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...