Te Gent zijn de huizen grauw gekarteld
Dames en heren. J’accuse. Omdat dit niet anders kan zijn dan een droevig verhaal. Het is het relaas over hoe een stad in Vlaanderen bij gebrek aan een gedegen cultuurbeleid en een pluralistische visie zelfzuchtige dorpspolitiek bedrijft. Dit is de jammerklacht over een dorpsnotabele die zich met zijn eigenwijze gevolg zonnekoning waant en in Gent het ambt van stadsdichter te schande maakt. Gent verdient beter. Zowel een cultuurbeleid als een stadsdichter met weerklank.
Een stad die zijn dichters niet eert, heeft een “huid als die van een vrouw met pokken”. Zo schreef de consequent politiek incorrecte Hugo Claus in 1963 in Het teken van de hamster. In datzelfde autobiografische gedicht, een cultuurhistorische queeste van Gent naar Brugge en terug, gaat de reiziger in de geschiedenis bij zichzelf te rade: “Gent in zicht. Heb ik vandaag aan mijn plicht verzaakt?”. Jammer dat burgemeester en schepenen (of in Nederland wethouders) van een stad zelden die verzuchting formuleren. Wat het stadsdichterschap van Vlaanderens tweede stad Gent betreft kan de vraag dezer dagen alleen maar affirmatief worden beantwoord.
De bevoegde notabelen zijn schatplichtig aan het pokdalig uitzicht van de stad, omdat ze aan hun verdomde plicht hebben verzaakt. De vaudeville gantois over het stadsdichterschap beleeft zijn zoveelste episode. Recent schreef ik er een opiniërend stukje over in De Standaard (‘Daar zit ge, Gent, onder die dwaze winden’, 11 februari 2009, nog te raadplegen via Standaard.online). Gent vindt vooralsnog geen waardige opvolger voor Erwin Mortier. De schepen van cultuur heeft de afgelopen weken tevergeefs getracht met een handvol dukaten een dichter te vermurwen het ambt van stadsdichter op te nemen. Zo werkt dat niet. Ik verklaar hierbij de bevoegde wethouder en zijn entourage van cultuurambtenaren onbekwaam, omdat zij het dichterschap reduceren tot een schamel bedrag van iets meer dan zeshonderd euro per jaar. Uit zijn weinig geraffineerde pogingen een dichter van stand te verleiden heeft de bevoegde politicus een beschamende blijk van onvermogen geëtaleerd. Mijn woorden zijn gewikt en gewogen, niet lichtzinnig uitgesproken. Ik verklaar me nader.
De Gentse schepen van cultuur Lieven Decaluwe, met in portefeuille ook de economisch zoveel rendabeler bevoegdheden van Toerisme en (Gentse) Feesten, heeft naar verluidt vermetele pogingen ondernomen om de schrijfster van de intimistische verzamelbundel Het verband tussen de dagen (1998) te overhalen in opdracht van de stad Gent gedurende twee jaar als stadsdichter op te treden. Vergeefse pogingen. In opvolging van Roel van Londersele en Erwin Mortier, en nu de ambtstermijn van de Gentse stadscomponist Dick van der Harst is afgelopen, mocht Miriam Van hee vanaf deze maand, tijdens de Gentse literaire lente, de honneurs van de stad in lyrische bewoordingen waarnemen.
In Gent bestaat een alternerend systeem van stadscomponist en stadsdichter, telkens voor een periode van twee jaar. Waarom zou Van hee per se in maart, voor de aanvang van de Literaire Lente, worden aangesteld? Niet alleen omdat Van der Harst ermee ophoudt en het nu weer eens aan de dichters is. Het is vooral omdat de dienstdoende schepen zijn kans schoon zag nog vóór de opening van een literaire stadsweek publiek in gesprek te gaan met de nieuwe stadsdichter. Bij dat optreden zou vanzelfsprekend politiek garen worden gesponnen. Maar dat was buiten de waardin gerekend, die er goed aan heeft gedaan de toegeschoven aalmoes te weigeren en daar per brief bijzonder relevante redenen voor aan te dragen. Voor het schabouwelijk optreden van de schepen van cultuur van de Oost-Vlaamse provinciehoofdplaats, zelfverklaarde “stad van kennis en cultuur”, zijn intussen geen woorden. Hij heeft na het eerste aarzelen van Van hee zelfs niet overwogen de niet weinig gespijsde begroting voor cultuur opnieuw te bekijken en, in alle gulheid voor de poëzie, een hoger honorarium aan te bieden.
Teneinde een stadsdichter op zijn minst fatsoenlijk te vergoeden. In vergelijking met de uitstraling die het stadsdichterschap van Antwerpen heeft – een stad waarmee cultureel Gent zich graag meet –, biedt de Arteveldestad aan samenvloeiing van Leie en Schelde inderdaad een armtierig honorarium. Vergelijk met het bedrag dat de bestuurlijke ambtsgenoot van de Gentse politiek verantwoordelijke voor cultuurbeleid, de heer Philip Heylen, in Antwerpen veil heeft voor de vergoeding van stadsdichter Joke van Leeuwen. Maar niet alles is geld. Bij voorkeur wordt het stadsdichterschap uitgeoefend door een dichter met landelijke en internationale allure. En als de schepen van Gent vindt dat “het nu eens een vrouw moet zijn”, met een renommee en een oeuvre als Mortier, Lanoye en Nasr, dan kom je uiteraard vanzelf bij Van hee terecht.
Een schrijver die overigens al langer over de tongen gaat als stadsdichter van Gent. Als zij vervolgens feestelijk dankt voor de eer, dan gaat zo een notabele pijnlijk af. Omdat ik weet dat Van hee het onder betere condities op zijn minst wel zou hebben overwogen. Een akte van onbekwaamheid van de lokale politiek is dat: geen stadsdichter voor Gent dus.
Niet alleen pecunia, prestige is ook onderdeel van het ambt. Als zelfs het kleinste gehucht, zelfs een wijk en ergens in Nederland een beek een eigen dichter hebben, als zelfs dichters bereid zijn de uitvaart van mensen zonder familie en vrienden met gelegenheidsgedichten op te luisteren, dan is het triest dat Gent, zo geroemd om zijn paarse coalitie van socialisten en liberalen, niets veil heeft voor een dichter van het literaire gehalte van Van hee. De vermaledijde notabele is trouwens een ideologisch adept van minister van cultuur van Bert Anciaux (destijds Vlaams Progressieven, nu sp.a) en sinds diens overstap naar de socialistische partij als onafhankelijke zetelend in de Gentse gemeenteraad. Een kip zonder kop dus. Vroeger verzamelde hij trouwens nog een andere partijkaart.
Een stadsdichter vrolijkt publieke manifestaties op, voorziet stedelijke gebeurtenissen van commentaar, schrijft stadsgedichten die een eigen kijk op het stedelijk leven presenteren. De stad vaart daar wel bij. Maar ook voor de dichter moet er iets uit te halen zijn. Niet alleen voor de stad zou het een uitdaging moeten zijn een dichter van importantie te overtuigen van het belang van het ambt. Een stad als Gent moet ook leren beseffen dat een dichter niet voor borrelnootjes de lier zal lenen ter meerdere eer en de glorie van de politieke kaste van beleidsbeslissers.
Van Roel van Londersele en Erwin Mortier, die destijds door Poëziecentrum (dat wil dus zeggen door de directeur Willy Tibergien) zijn voorgesteld en door de toenmalige schepen van cultuur zijn benoemd tot Gents stadsdichter, weet ik dat ze van die aanstelling desondanks iets moois hebben gemaakt. Maar de Gentse vlieger blijft niet opgaan. Vliegers vliegen weg. Zoals in het bekende Gentse volkslied ‘t Vliegerke van Walter de Buck. “Mee mijne vlieger/En zijne steert/Hij goot omhoge [...]”, om melancholisch te eindigen met “Hij was goon vliege/Al mee de wind/’k Stonde te schriemen (wenen)/’k Was maar een kind [...]”. Wel, in Gent is er vandaag alle aanleiding om met zijn allen te staan “schriemen”.
Nu niet langer Poëziecentrum de kandidaat naar voren schuift, maar de schepen zelf en eigenmachtig (zonder het geringste overleg) de nodige initiatieven neemt en telefoontjes pleegt, blijkt nog maar eens het gebrek aan visie op hoe kunstenaars in het cultuurbeleid van Gent (kunnen) functioneren. Immers, er is geen geloofwaardige procedure, niemand uit het literaire veld wordt voortaan nog om advies gevraagd. De schepen, die er prat op gaat “veel dichters persoonlijk” te kennen, en na dat blauwtje wellicht nu tot het besef is gekomen “dat dichters in hun sfeer moeten verwijlen. Hun eigen sfeer” (Claus), slaagt er niet in Gent op de literaire kaart te zetten. Dat is wel zijn ambitie.
Gent moet volgens zijn beleidsplan een “letterenstad” zijn. De facto is het een provincienest waar cultuur er maar bekaaid afkomt. Niet dat het culturele leven dynamiek zou ontberen. Integendeel. De literaire instituties in de stad, zoals de stedelijke bibliotheek, de KANTL en het Poëziecentrum, hebben een autonome werking en vertonen een grote dynamiek. Dat is niet de verdienste van het beleid, maar wel van de leiding van die instituten. Voor het beeld van een provincienest zijn dus alleen de beleidsbeslissers en hun functionarissen verantwoordelijk. Op het gebied van retoriek mogen ze dan geslepen en niet gespeend van sloganeske taal zijn. Wat de kennis van het culturele veld en de noden ervan betreft zijn ze pijnlijk onwetend.
Het voorstel om Van hee te vragen had alleen een kans op slagen indien een breder draagvlak voor de benoeming had bestaan, indien er een respectabele honorering was voorzien. En dus niet het bedrag dat Van Londersele meer dan vijf jaar geleden al ontving. En vooral, indien niet zozeer de met het eigen politiek overleven begane schepen, maar een geloofwaardige schare van poëziekenners Miriam Van hee had gevraagd voor de invulling van het poëzieambt. Wat we zelf doen, doen we beter, moeten de schepen en zijn eigenwijze departement cultuur hebben bedacht. Overigens, ook de Gentse poëzieroute wordt onder dit bewind stilaan een ruïne. Zo is sinds maanden ‘Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan’ van Hugues C. Pernath, aan een gevel van de Leopoldskazerne, voor herstelling weggehaald en intussen niet meer opgedoken. Andere panelen zijn beschadigd, met graffiti bespoten. Kortom, it’s a real mess.
Bij zoveel ontij, ook en vooral de weigering van Miriam Van hee, zal de notabele wel verzuchten, zoals Claus dichtte in ‘Politiek en kunst’, dat “dichters vitters zijn. Gezeur over de ziel”. Niets is minder waar. Van hee is de uitverkoren stadsdichter van Gent. Dat kan alleen als de burgemeester en schepenen ook echt iets van het stadsdichterschap voor de stad Gent willen maken. En niet alleen een mediagenieke en dus goedkope slogan in gedachten hebben. Ik vrees dat de schepen in de loop van deze “literaire maand”, tijdens de literaire stadsweek, alleen bij zichzelf te rade zal moeten gaan. Ook Dimitri Verhulst heeft zich al eerder beklaagd als curator van ‘Zogezegd in Gent’, het media-event van boek.be, de vakvereniging van boekhandelaars en uitgevers. Neen, Gent als geproclameerde “letterenstad” – zoals politici en cultuurfunctionarissen het zich graag voorstellen – stelt bitter, bitter weinig voor.
Ondertussen blijven in Gent de huizen grauw gekarteld, “alhoewel de Leie walmt van folklore”, en geen dichter die er zich in opdracht van een cultuurarm stedelijk bestuur nog om bekreunt. Politici kunnen ook ontmoedigend werken voor het culturele leven in een stad.
Ontmoediging is een slechte raadgever. Het kan anders. In Gent zal – desondanks – de literaire lente bloeien. Ondanks de dorpspolitiek en zelfgenoegzame lakeien. Dat “de dag van heden [...] het grootste wonder” is, mag blijken uit de column die ik binnenkort op deze aanklacht laat volgen. De dichters zullen spreken als straks de lentebloesems weer bloeien. Het zal niet de verdienste zijn van de gezagsdragers en verkozenen des volks.
© Yves T'Sjoen
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Is dat eigenlijk nog wel Nederlands?: 'Dat "de dag van heden (...) het grootste wonder" is, mag blijken uit de column die ik binnenkort op deze aanklacht laat volgen.
Ik zou mij schamen, T'Sjoen.
Geplaatst door: Koenraad Goudeseune | 4-3-09 om 4:41