Sylvie Marie (Tielt, 1984) publiceerde
poëzie in tijdschriften als Het liegend konijn, Poëziekrant en
Krakatau. Haar gedichten werden opgenomen in verschillende
bloemlezingen, maakten deel uit van de poëziezomer in Watou, en
vielen hier en daar in de prijzen. Voor het online literaire
tijdschrift Meander is ze poëziecoördinator. Ze is redacteur van
het papieren literaire tijdschrift Deus ex Machina. Onlangs stelde ze
haar debuutbundel Zonder voor, uitgegeven bij Vrijdag / Podium.
1. Wat is uw favoriete gedicht uit deze bundel?
zonder
die morgen tref ik woorden aan tussen
de lakens,
ze prikken als stukjes spiegel waarin een schim
weerkaatst. ik lees:
ik ben weg, neem niets mee behalve
de
geur van je haren, de zachtheid van je wangen,
de smaak van je
lippen. de hond
op straat leidt me
af en ik staar
naar het raam, nooit zag het ochtendlicht
er zo vaal uit, had het
gordijn zo weinig kracht.
het was de eerste keer dat het niet
opbollend
in mijn haren snoof, mijn wangen streelde,
me
goedemorgen zoende.
(2) Vertel wat u over deze bundel kwijt wilt, in maximaal 200 woorden die niet op de flaptekst mogen voorkomen.
Op mijn flaptekst staat eigenlijk alles wat ik over de dichtbundel kwijt wil. Voor het overige moet iedereen vooral de gedichten lezen zonder daarbij al te veel te worden beïnvloed door woorden van recensenten of van de dichter zelf.
Samen met de uitgever had ik nog even getwijfeld om er lovende citaten uit kranten bij te plaatsen. Die verschenen naar aanleiding van mijn cyclus ‘moedermomenten’ in Het Liegend Konijn. Het is immers mooi om op de bundel van een debutante al meteen te kunnen scanderen met ‘Bij dezen roep ik mezelf uit tot ontdekker van Sylvie Marie.’ (Arjan Peters in De Volksrkant) of ‘Om een gedicht als dit lees je poëzie’ (Bart Van Der Straeten in De Morgen). Toch hebben we dat niet gedaan. Waarom? Omdat mijn bundel meer is dan de moedermomenten alleen. In ‘Zonder’ mankeert het niet alleen aan een moeder, maar ook aan vele andere betekenisvolle dingen. En hoe gaan we daarmee om? Ik wil de lezer het hele perspectief tonen, opdat het hem of haar iets mag doen, opdat het een vonk mag geven.
(3) Welke dichters (of dichter) behoorde(n) bij het schrijven van deze bundel tot uw inspiratiebronnen? Op welke wijze?
Dat is een moeilijke vraag. Uiteraard is mijn poëzie gebaseerd op dingen die ik las, maar welke dichter nu precies voor welk effect heeft gezorgd, dat kan ik niet zeggen. Ik lees vaak wel gedichten om mezelf in een soort poëtische stemming te brengen zodat ik kan gaan schrijven. Niet één bundel wil ik dan bij me, maar het liefst heel veel, zodat ik van de ene dichter naar de andere kan tuimelen.
Toch, als u het over mijn liefdesgedichten wil hebben, dan beken ik dat David Troch - ‘Prins’ zoals ik hem op mijn blog noem - er misschien wel wat voor tussen kan zitten. Misschien ja. Immers, kan ik bij een liefdesgedicht niet gewoon aan het fenomeen 'liefde' of 'koppel' hebben gedacht?
Het is leuk hoe sommigen bij het lezen van mijn gedichten soms die of die stem herkennen. Meestal heb ik daar zelf nog nooit bij stil gestaan of besef ik gewoon: ‘die dichter of dichteres moet ik zeker eens gaan lezen!’
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties