Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Gedicht: Lammert Voos | Hoofdmenu | Avondnieuws »

22 februari 2009

Dichterlijke grootheid

"[F]or the first time since the early 19th century, American poetry may be about to run out of greatness.[...] Greatness implies scale, and a great poet is a big sensibility writing about big things in a big way. [...] When we lose sight of greatness, we cease being hard on ourselves and on one another; we begin to think of real criticism as being “mean” rather than as evidence of poetry’s health; we stop assuming that poems should be interesting to other people and begin thinking of them as being obliged only to interest our friends — and finally, not even that. Perhaps most disturbing, we stop making demands on the few artists capable of practicing the art at its highest levels." David Orr in TNYT.

Reacties

Gert de Jager

Een geweldig artikel. Uit het hart gegrepen wat mij betreft. De Nederlandse situatie verschilt, ondanks de afwezigheid van de terreur van creative writing-programma's, volgens mij niet zo heel erg. Wij maken ons druk over stadsdichterschappen.

De implicatie zou moeten zijn dat het bijvoorbeeld ook hier op De Contrabas vaker zou moeten gaan over de kwaliteit van gedichten. Wat dacht u, heren, van een goed gemodereerde rubriek waarin wekelijks een gedicht uit een pas verschenen bundel wordt becommentarieerd? Of iets dergelijks.

Samuel Vriezen

Meen je dat nou Gert? Op mij komt het artikel volstrekt vrijblijvend over. De auteur geeft nauwelijks de indruk zich serieus met de dichters van nu bezig te houden. Bij gevolg begrijp ik nauwelijks waar hij het ueberhaupt over heeft.

Vergelijk dat eens met, ding dong daar heb je hem weer, Silliman's Blog. Die is behoorlijk duidelijk over wie hij echt belangrijke dichters vindt, ook van nu, en het belangrijkste: waarom precies. Waarbij hij het nooit alleen maar over "greatness" of "kwaliteit" heeft - dat zijn uiteindelijk onzinwoorden, op zijn gunstigst niet meer dan indicaties van een goede intentie zonder kritische uitdrukkingskracht.

Chrétien Breukers

Ik ben het... en dat zeg ik in alle deemoedigheid, helemaal met Samuel eens...

Gert de Jager

Wanneer jullie het met elkaar eens zijn, moet ik wel gelijk hebben.

Orr wordt wel degelijk zeer concreet als hij het dichterschap van Bishop afzet tegen dat van Lowell. Aan de hand daarvan problematiseert hij juist een traditioneel concept van ‘greatness’. Ook is hij uitermate concreet als hij de veranderde structuur van het ‘poëtische veld’ – vijfhonderd ‘creative writing’-programma’s – koppelt aan de tendens om in de kritiek vooral aardig te zijn te voor elkaar. Wie alleen voor vrienden schrijft, schrijft uiteindelijk voor niemand meer, is zijn boodschap. Daar is weinig vrijblijvends aan.

Ik heb geen enkele heimwee naar oude ronkers als Lowell en – bij ons - Roland Holst, maar zij hadden een positie die door niemand is overgenomen. Na de generatie van Brodsky, Heaney, Tranströmer, Gustafsson, Walcott, Milosz, Szymborska zijn er zelfs nauwelijks dichters meer met een internationale reputatie. Zij zijn, voor zover ze nog leven, zeventigers of tachtigers, maar zij verwierven die reputatie decennia geleden. Het proces van lezen, waarderen en over de grenzen heen inspireren dat tot zo’n dertig jaar geleden ook in de poëzie doodgewoon was, is vrijwel helemaal verdwenen. Daarmee wordt poëzie langzamerhand de enige kunstvorm die niet in een mondiaal circuit functioneert. En de poëzie die dat wel doet, het soort poëzie waar jij, Samuel, graag een lans voor breekt, is binnen het eigen taalgebied weer volstrekt marginaal.

Marges kunnen prachtige dingen opleveren, maar ze kunnen ook circuitjes van zelffelicatie worden. Hoe dan ook lijkt het me verstandig om af en toe na te denken over de poëzieproductie en dezelver randvoorwaarden en daar heel misschien en zo nu en dan consequenties aan te verbinden.


RHCdG

Ik vond het geciteerde stukje niet erg opwindend en heb het artikel daarom niet gelezen, maar het lijkt me dat het uitsterven van kanonnen en de devaluatie van 'greatness' gewoon het gevolg is van de overgang van een romantische periode naar een postmoderne (ik kan wel andere termen verzinnen maar hier komt het toch op neer). Er klinkt niet meer één stem, maar er klinken verschillende stemmen, ook binnen één (flarf)gedicht.

Waarom is de verschijning van Kouwenaars 'Vallende stilte' geen gebeurtenis van formaat hier? Zijn werk werd door Erik Jan Harmens besproken alsof het om een debutant ging. Tegelijk werd niet hij of een van zijn generatiegenoten geëerd met het DDV-schap, maar mochten vijf jongeren zich ervoor kandideren. Het moet Kouwenaar het gevoel geven dat hij er niet meer toe doet, en dat is ook zo, terwijl hij de laatste jaren alleen maar nog beter is gaan schrijven.

Zoals het gaat, wordt het tijd dat de Nobelprijs voor literatuur gedeeld wordt door twee, drie of vier dichters, zoals ook bij de andere Nobelprijzen wel het geval is.

Gert de Jager

Met een flarfgedicht als dankwoord. Nee, het wachten is op een Murakami die alle gesombermans, van mijzelf en anderen, naar de prullenmand verwijst.

Samuel Vriezen

"Orr wordt wel degelijk zeer concreet als hij het dichterschap van Bishop afzet tegen dat van Lowell."

Maar die zijn allebei al heel lang dood. En het artikel gaat over het verlies van greatness in de /hedendaagse/ poëzie.

"Ook is hij uitermate concreet als hij de veranderde structuur van het ‘poëtische veld’ – vijfhonderd ‘creative writing’-programma’s – koppelt aan de tendens om in de kritiek vooral aardig te zijn te voor elkaar."

Maar dat is gewoon flauwekul. Het toont alleen maar de beperktheid van zijn eigen lezen aan. Wie om zich heen kijkt op het Amerikaanse internet kan zonder veel moeite overal allerlei bijzonder pittige stellingname ontwaren. Alleen Orr niet, maar goed, die schrijft dan ook voor de krant.

"En de poëzie die dat wel doet, het soort poëzie waar jij, Samuel, graag een lans voor breekt, is binnen het eigen taalgebied weer volstrekt marginaal."

Dat is een mythe. Dat wil zeggen: natuurlijk zijn er niet veel mensen met die poëzie bezig. Maar álle poëzie is marginaal - bij Silliman las ik net dat van Elizabeth Alexander's inaugurele gedicht 6.000 exemplaren verkocht zijn van de gedrukte 100.000. Nog altijd redelijk wat voor poëziemaatstaven, maar kun je dan echt blijven volhouden dat het werk van een Silliman, ten opzichte van de gemiddelde poëzie - zelfs de zogenaamd toegankelijke - marginaal is?

Zie ook het voorbeeld van dé grote dichter van nu die Orr wel wil noemen, Ashbery, de eerste levende dichter die is opgenomen in de Library of America (en met Philip Roth een van weinig levende auteurs überhaupt om dat te gebeuren.) Maar die komt echt helemaal uit die "marginale" traditie voort.

En Ashbery is niet het enige, noch het sterkste voorbeeld van iemand die uit de marge opklimt naar grootheid. Ook Orr komt met Dickinson aan.

Begrijpelijk dan ook dat Orr vervolgens gaat praten over "the reputation-making structures of the poetry world". Maar hij engageert zich totaal niet met wat er op dat gebied op dit moment gaande is. Daarom is het artikel zo vrijblijvend. Het artikel houdt juist zichzelf ten opzichte van de poëzie marginaal.

"Marges kunnen prachtige dingen opleveren, maar ze kunnen ook circuitjes van zelffelicatie worden"

Waarheid als een koe. Maar je moet wel bedenken dat het juist de experimentele "marge" is die steeds zijn netwerken zo breed mogelijk opzet, en dat het over het algemeen juist de mainstream-poëzie is die zichzelf isoleert door het ontbreken van enig poëticaal discours. Klinkt contraintuîtief maar het is wel zo. Kijk nog maar eens naar Silliman's Blog: je kunt deze "marginale" dichter onmogelijk verwijten dat hij zich in zijn eigen marge heeft opgesloten. Of blader The L=A=N=G=U=A=G=E Book eens door. Hoeveel zeer verschllende mensen je daar wel niet in aantreft, die elk weer op andere manieren verder zijn gegaan en ook binnen andere netwerken functioneren. Dat soort "marginale" groepjes heeft de neiging zichzelf te organiseren en activistisch naar buiten te treden, terwijl mainstreamkunstenaars de neiging hebben zich te laten organiseren en te laten vertegenwoordigen. Soms bereiken die dan wel veel lezers, maar veel lezers is nog geen receptie - laat staan "greatness."

Gert de Jager

Ha Samuel,

Veel van wat je schrijft, is waar - maar niet alles.

De 'greatness' van Bishop is actueel omdat zij door de meest uiteenlopende - daar gaat het om - dichters van nu als bewonderd model wordt aangeroepen. Vandaar dat Orr erop ingaat.

Komt Ashbery voort uit een marginale traditie? Volgens mij is hij eerder iemand die de traditie van Wallace Stevens voortzet en heeft hij als zodanig vrij snel erkenning gevonden. Ja, hij schrijft heel anders dan Stevens. Ja, hij past wel degelijk in die traditie.

Dat ook op Amerikaanse blogs forse meningen worden geventileerd, lijkt me niet voor en niet tegen iets te pleiten. Het gaat om de weerklank van die opinies.

Dat 'marginalen' sterk zijn in zelforganisatie - mooi, maar dat zegt nog niets over kritische maatstaven en het belang daarvan was wat Orr aan de orde stelde.

Dat de omvang van een leespubliek niets zegt over 'greatness' - dat vind ik nou weer een waarheid als een koe. 'Veel lezers is nog geen receptie' - dat is een koe die ik maar niet in het blikveld kan krijgen.

Het grote verschil met de situatie van een paar decennia geleden is de reputatie die een dichter, mainstream of niet, internationaal kon verwerven. De enige dichter die de laatste jaren volgens mij alsnog het pantheon is binnengezeild, is Mark Strand - een zeventiger. Niets van wat je noemt, kan dienen, vrees ik, als een verklaring voor die veranderde gang van zaken.

Dat de mainstream-poëzie zich zou isoleren door het ontbreken van een poeticaal discours, vind ik tenslotte een rare veronstelling. Neem de Poëziekrant, of Poëzierapport, of Luuk Gruwez, of NRC-recensenten. Je kunt geen twee regels over poëzie schrijven zonder poëticale vooronderstellingen. Nog even en ik zou denken dat je een discours dat je niet herkent als het jouwe niet herkent als een discours.

Samuel Vriezen

Jazeker, Ashbery komt voor uit een marginale traditie. Die Wallace Stevens-lezing is de Ashbery volgens Bloom. Maar dan nu de historische feiten. Ashbery bereikte zijn volwassen poëtische stijl terwijl hij in Parijs bezig was met een proefschrift over Raymond Roussel (over marge gesproken). Tot zijn zevende, achtste bundel was hij een figuur die alleen in kleine kring, hoofdzakelijk bestaande uit New Yorkse dichters en kunstenaars bekend was. De Stevens interpretatie staat een redelijk deel van het werk van Ashbery zeker toe, maar is volgens mij bijzonder misleidend of minstens zeer eenzijdig. Voor Ashbery heb je nog veel harder Stein, Williams, Roussel, Cage en strips nodig. Binnenkort komt in DWB (als alles goed gaat met de rechten) mijn lezing van Ashbery als een soort proto-flarfdichter - een lezing die niet meer met Stevens te verenigen is.

De "weerklank van die opinies" vindt onder meer op die honderden blogs zelf plaats. Dat zit helemaal goed. Die zelforganisatie van de 'marginalen' omvat juist bij uitstek een ontwikkeling van kritische maatstaven - ik verwijs nogmaal naar The L=A=N=G=U=A=G=E Book voor een indruk van hoe dat gaat. Een receptie vindt pas plaats als de lezers iets terugschrijven. Strand is volgens mij geen pantheondichter, zelfs niet nu hij vertaald is door de jonge getalenteerde winnaar van nota bene de Buddingh'-prijs; natuurlijk is Strand zeer begaafd, maar het moet nog blijken of men hem zal blijven kennen. Er is reden genoeg om daar aan te twijfelen. Silliman, die duidelijk een internationale reputatie heeft opgebouwd, wijst in dat verband vaak op de neiging van de "School of Quietude" om zijn eigen helden tien jaar na hun dood te vergeten.

En het probleem van de mainstream-recensie is dat die over het algemeen in recensie blijft hangen, en te vaak tot het domein van de opinie blijft horen. Discours inderdaad, maar wat pas zoden aan de dijk zet is kritisch discours, dat niet alleen van vooronderstellingen uitgaat maar ze ook op tafel wil krijgen.

Samuel Vriezen

(Zie trouwens voor enkele verdere inspiratiebronnen van Ashbery het boekje met de lezingen die hij als Charles Eliot Norton-hoogleraar bij Harvard heeft gehouden, onder de veelzeggende titel Other Traditions. Het gaat daar over Clare, Beddoes, Roussel, Wheelwright, (Riding) en Schubert - David Schubert welteverstaan)

Gert de Jager

'Een receptie vindt pas plaats als de lezers iets terugschrijven' is geen vooronderstelling die receptiehistorici en -esthetici met je delen.

De kenmerken van marginaliteit die je Ashbery toeschrijft, passen nog beter bij Stevens zelf: tot zijn zevenenvijftigste de dichter van precies één bundel die nauwelijks verkocht was en waarvoor alleen een kleine, hoofdzakelijk New Yorkse coterie belangstelling kon opbrengen. Pas met zijn tweede bundel uit 1936 begon er een bredere interesse te ontstaan. Daarmee vergeleken is de carrière van Ashbery een bliksemcarrière.

Hoe dan ook blijf ik het moeilijk vinden om me Ashbery in de marge voor te stellen. Als twintiger met een debuutbundel die geprezen werd door Auden. Als dertiger in de jaren zestig kunstcriticus voor New Yorkse tijdschriften, een paar jaar later docent aan Brooklyn College. Het gaat om het New York van Pollock en De Kooning, Coleman en Coltrane, Koch en O'Hara. Al heel vroeg een maatje van Warhol; iedereen die ook maar enigszins belangrijk was in de poëziewereld, kende hij vanaf de collegebanken persoonlijk. En als er één plek was waar belangstelling bestond voor 'other traditions' was het het New York van de vroege jaren '60 wel.

Een van de punten die Orr trouwens maakt is dat dit soort centra, met een de facto snoeihard toelatingsbeleid, zijn verdwenen. In plaats daarvan kan iedereen zo'n beetje doen waar hij of zij zin in heeft. Ik vrees toch echt dat de hoge eisen die gelden binnen de L=A=N=G=U=A=G=E-groep de dames en heren niet uit de marge zullen tillen.

En voor de rest: ik zal Silliman eens gaan volgen. Je hebt het wel enigszins ingepeperd.

RHCdG

Het leek er even op dat Gert en ik althans een voor een door een draaideur konden, maar dan lees ik in twee, drie opeenvolgende bijdragen dit:

Bishop
Lowell
Roland Holst
Brodsky
Heaney
Tranströmer
Gustafsson
Walcott
Milosz
Szymborska
Strand
Stevens
Ashbery
Auden
Pollock
De Kooning
Coleman
Coltrane
Koch
O'Hara

Allicht kun je er via Sillimans blog binnenkort nog een hoop aan toevoegen - al maken die misschien minder indruk. Maar doe me een lol, en noem *mij* geen name dropper meer.

Samuel Vriezen

"'Een receptie vindt pas plaats als de lezers iets terugschrijven' is geen vooronderstelling die receptiehistorici en -esthetici met je delen."

Hoe nemen die historici dan kennis van die receptie? - maar goed, ik geloof dat ik dit punt inderdaad overdrijf. Het dwaalt ook erg af van het artikel van Orr.

Je hebt zeker gelijk dat Ashbery zich snel kon ontwikkelen - hoewel dat kunstcriticusschap en die docentenbaan weinig over zijn poëziecarriere zeggen. En het is maar goed ook dat hij zijn lesbevoegdheid niet aan "The Tennis Court Oath" hoefde te ontlenen. Maar hij kon inderdaad zich binnen de kunstwereld aardig handhaven. Dat dat wereldje groter werd dan het ten tijde van Stevens wellicht was heeft onder meer te maken met naoorlogse toenemende aandacht voor Amerikaanse experimentele kunst in het algemeen - iets dat trouwens zelfs vanuit de CIA werd gestimuleerd! New York was voor de oorlog artistiek gesproken nog redelijk provinciaals en na de oorlog plotseling het centrum. De doorbraak van Ashbery bij een groot publiek kwam wel pas veel echt later; toen hij jong was waren andere dichters veel beroemder. En de invloed van die tweede bundel, The Tennis Court Oath, begon zelfs nog pas later duidelijk te worden.

Marginaal is uiteindelijk een onvoldoende scherpe term om de oorsprong van Ashbery te duiden. Waarschijnlijk had ik dat woord daarom ook eerst tussen aanhalingstekens staan. Zullen we dan maar zeggen - experimentele traditie, avantgarde? Werp een blik op Europe uit The Tennis Coart Oath en je weet wat ik bedoel. Dat is echt andere koek dan dertien manieren om een merel te begluren!

Gert de Jager

@ Rutger. Je kunt altijd een voor een door een draaideur -tenzij iemand doelbewust de andere kant op gaat duwen.

@ Samuel: 'Marginaal' klinkt voor mij inderdaad meer sociologisch. De late Stevens vind ik formidabel - die van 'The Rock' en de 'Late Poems'. Tot een volgende keer!

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...