Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Te veel goede poëzie, te weinig bloed | Hoofdmenu | Belgische dichteres... »

20 februari 2009

De veronachtzaamde Christelijke poëzie

'De Vlaamse dichter, alleslezer en poëziepromotor Herman de Coninck schreef in 1994 een essay naar aanleiding van het Verzameld Werk van de dichter Jan Willem Schulte Nordholt. Hij stelde tot zijn verbazing vast dat 'deze poëzie' (christelijke poëzie namelijk, als categorie, De Coninck noemde in dezelfde adem de dichters Guillaume van der Graft en Huub Oosterhuis) uit alle bloemlezingen is ,,weggezuiverd''. Dat is een beladen woord. Het veronderstelt kwade opzet. Maar De Coninck kende het Nederlandse poëzielandschap als weinig anderen. Zijn woordkeus kan alleen betekend hebben dat hij het zo ervoer: er is voor dit soort poëzie weinig ruimte - en zulks niet op kwalitatieve gronden, betoogde hij, en hij noemde tien gedichten van Schulte Nordholt die in iedere bloemlezing overeind zouden blijven.' >> alweer een gediscrimineerde groep in de poëziebloemlezingen, de Christelijke poëzie.

Reacties

Maarten Das

Wanneer is poëzie, of een bundel, eigenlijk christelijk?

RHCdG

Wanneer Gert de Jager er problemen mee heeft.

Cath Blaauwendraad

Goeie vraag Maarten. Ik denk dat het een etiketje is dat (zoals zovele etiketjes) er slechts toe dient om bij voorbaat te diskwalificeren, ergo, het betreft geen inhoudelijke kwalificatie.

Goede poëzie preekt niet alleen voor eigen parochie, of deze nu christelijk, communistisch, feministisch, wat dan ook is; poëzie ontstaat immers pas wanneer men zich loszingt van het vaststaande.

Het vaststaande leent zich echter veel gemakkelijker voor een etiket dan het loszingen.

RHCdG

"Poëzie ontstaat immers pas wanneer men zich loszingt van het vaststaande."

Persoonlijk hou ik meer van poëzie die zich niet loszingt, maar die veeleer gebonden is aan de materiële eigenschappen van het woord. Zodra dat los wordt gelaten, ontstaat poëzie waarop etiketten kunnen worden geplakt, maar het woord is zijn eigen etiket ('boek' is iets anders dan 'koek').

De meeste poëzie die wordt geschreven is in die opvatting 'christelijke' poëzie - niet omdat ze Onze Lieve Heer tot onderwerp heeft, maar omdat het woord er vrijwel altijd een symbolische functie heeft, er altijd een echo klinkt. Poëzie is vrijwel nooit een korte gebeurtenis (zoals bv een haiku dat kan zijn), maar meestal meteen een 'event': een zeepbel die uiteenspat.

Wim van Til

Wanneer poezie christelijk is? Ik heb geen flauw idee meer. Een van de dichters die bij ons thuis steevast een christelijk dichter werd genoemd, was Martinus Nijhoff. En die staat met slechts 1 gedicht (nou ja, een Psalm) in die schitterende Brandaan van de christelijke poezie.
Dus de rest van zijn oeuvre verdient niet eens dat predikaat?

En deze ontbreekt daarin ook:

Hond met bijnaam Knak

God, zegen Knak
hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte, was rood
Toen was het wit
Toen was het dood
God, zegen Knak

Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak

Jan Hanlo. (Gelukkig wel opgenomen in de onlangs verschenen bloemlezing Tjielp tjielp.)

Maarten Das

Van Nijhoff kwam ik gisteren in de Slegte in Amsterdam een oude bundel tegen met een aantal gedichten over het lijden en de kruisdood van Jezus, en een andere bundel waarin een kerstspel was opgenomen - naar verluidt was hij voor dat kerstspel gevraagd door ik meen het Leger des Heils, nadat ze zijn eerder vermelde passiegedichten hadden gelezen. Dus de link naar het etiket 'christelijke poëzie' kan ik me bij Nijhoff wel voorstellen. (Al vraag ik me nog wel steeds af wat een definitie van dat etiket zou zijn)

Waar ik me minder goed iets bij kan voorstellen, is de 'materiële kracht van het woord' (RHCdG). En is boek altijd iets anders dan koek? Waar blijft dan de metafoor (om in dit voorbeeld te blijven: ook een boek kun je verslinden...)? Maar misschien is dit niet de plek voor die discussie (anders raken we zo off-topic).

Ik ben het overigens wel met Catharina eens dat poëzie zich loszingt van het vaststaande. Zelfs als ik mijn geloof belijd in dichtvorm, of een andere eenduidige, niet mis te verstane boodschap over wil brengen, zal ik bepaalde stijlmiddelen moeten hanteren om er een gedicht, en geen geloofsbelijdenis/dagboekfragment/pamflet/etc. van te maken. Daarmee hoop ik het gedicht open te stellen voor de lezer die, ook als hij of zij zelf nergens in gelooft, in mijn overduidelijke overtuiging óf iets van zichzelf herkent, óf het gevoel heeft op iets nieuws te stuiten, ook al is de boodschap of het gevoel dat ik vertolk al eeuwenoud.

Ik zie het o.a. als mijn taak om met taal oude gevoelens nieuw leven in te blazen. Bedenk ik me nu.

Cath Blaauwendraad

@RHCdG: Met "het vaststaande" bedoelde ik niet "materiële eigenschappen van het woord" maar ik ben te moe om je uit te leggen wat ik dan wel bedoelde.

En ach, de uitspraak op zich was natuurlijk nogal absoluut. Wie ben ik om te zeggen wanneer poëzie ontstaat.

Gert de Jager

Rutger heeft er weer eens niets van begrepen – zie de eerdere discussie over Otten en over codekrakers. Mijn poëzieopvatting gaat in de richting van wat in een religieus kader een mystieke beleving wordt genoemd. Niets bijzonders overigens. Komt sinds Van Ostaijen veel voor.

Voor de rest bent ik het volkomen eens met Catherina. Rien van den Berg, de auteur van het gelinkte artikel, denkt er heel anders over. Hij schrijft: “(…) er is christelijke poëzie die voor iedereen genietbaar is. Maar er is er ook die slechts door christenen ten volle gewaardeerd en aangevoeld kan worden.” Wel degelijk schrijven voor eigen parochie dus. Ik probeer me de eigen parochies voor te stellen van alle dichters die ik bewonder – Amerikaanse fascisten, Hollandse communisten, Griekse lesbiennes, Japanse zenboeddhisten, anglicaanse dominees, dronkenlappen uit alle contreien, het Noord-Amerikaanse verzekeringswezen. Het is niet niks.

Wat de veronachtzaming van Van der Graft, Schulte Noordholt en Oosterhuis betreft: de eerste heeft volgens mij een reputatie die vergelijkbaar is met die van Hans Andreus. Net geen Lucebert, Kouwenaar, Claus, Rodenko, Campert, Hanlo, Rodenko. Net iets te veel vertrouwen op gemakkelijke vondsten, net iets te veel voor de hand liggende beeldspraak, een net iets te soepel ritme. Niettemin zullen Andreus en Van der Graft tot in lengte van dagen met een paar gedichten in bloemlezingen figureren. Ook het dichterschap van Lucebert c.s. zal over een aantal decennia gereduceerd zijn, vrees ik, tot een paar vaste gedichten in bloemlezingen.

Dat Herman de Coninck Huub Oosterhuis als een onderschat dichter beschouwde – ik zou graag de gedichten zien waarmee hij dat aannemelijk wilde maken. Overal waar ik bij Van der Graft ‘net iets’ schreef, moet volgens mij bij Oosterhuis staan: ‘veel’.

RHCdG

Maarten,
Ik zei niet 'de materiële kracht van het woord', want ook die formulering suggereert weer een soort kiem die bol staat van potentie en een cascade van beelden teweeg kan brengen. Dat is het 'christelijke'. Ik had het over een poëzie die Het Woord van zijn hoofdletters berooft, en die klank, spelling, typografie enz. het werk laat doen. Je zou het kunnen vergelijken met Luceberts omkering van Johannes 1:1 - 'het vlees is woord geworden'.

Metaforen zijn leuk platonisch snoepgoed, maar bewerkstelligen een poëzie die min of meer uit balans is, die geen maat kan houden. Ze heeft altijd iets buiten zichzelf nodig: een bepaalde kennis, iets dat kan worden onthuld of geopenbaard, God bv. Een 'niet-christelijke' poëzie daarentegen wijst eenvoudig aan, zoals een kind dat iets aanwijst en 'Dit!' zegt, ipv er de naam of de orde van te noemen. Om een voorbeeld te geven: iemand die daar heel ver in gaat is onze vaderlandse haikumeester F. Van Dixhoorn.

Gert de Jager

Aardig, Rutger, dat jij mijn standpunt over het deiktische in de codekrakers-discussie nu zo'n beetje overneemt. Vreemd dat het weer met een sneer gepaard moest gaan.

Cath Blaauwendraad

Ik geloof niet dat het verschil zo groot is. Dat 'simpelweg aanwijzen' gebeurt namelijk nooit simpelweg; binnen een bundel van Van Dixhoorn duiken dezelfde woorden in verschillende contexten op, waardoor een spanningsveld bestaat dat, althans voor mij, vergelijkbaar is met de metafoor. De vergelijking van het ongenoemde.

RHCdG

"Ook het dichterschap van Lucebert c.s. zal over een aantal decennia gereduceerd zijn, vrees ik, tot een paar vaste gedichten in bloemlezingen."

Dat geldt nu ook al voor Slauerhoff, Marsman, Bloem, Nijhoff en wie heb je nog meer (ik ben ze nu al vergeten). Niets blijft. Daar helpt zelfs de poëzieopvatting van mysticus Gert de Jager niets aan.

hanz mirck

Naar ik begreep van iemand bij de uitgeverij was het al dan niet praktiserend gelovige zijn een criterium voor opname in de Brandaan van christelijke poëzie. Tja.

Maarten Das

@RHCdG: Excuses, in de haast citeerde ik je verkeerd.

Ik weet trouwens nog steeds niet zeker of ik je snap. Bedoel je een onderscheid te maken tussen poëzie die verwijst naar iets buiten zichzelf, en poëzie die dat niet doet? In theorie kan ik me zo'n onderscheid wel voorstellen, maar in de praktijk eigenlijk nauwelijks.

Cath Blaauwendraad

Hans, volgens mij gaat het niet om de selectiecriteria van de Brandaan, maar om bloemlezingen die niet zulke selectiecriteria zeggen te hanteren en ondertussen...

Maarten Das

Nou, mijn vraag was natuurlijk wanneer poëzie christelijk te noemen is, Hanz geeft wel een begin van een antwoord daarop.

hanz Mirck

Eh, bedoel je mij? Brandaan zegt dat ook nergens, ik kreeg t pas bij navraag te horen.

Cath Blaauwendraad

Sorry, Hanz met een 'z', bij deze. Maar nog steeds kan ik je niet volgen. Je kunt hier de selectiecriteria van de Brandaan wel ter discussie stellen, zoals je de selectiecriteria van elke bloemlezing ter discussie zou kunnen stellen. Maar los van de afbakening van de deelverzameling zou je je af kunnen vragen waarom die verguisd wordt binnen het grotere geheel.

RHCdG

Maarten,

Ik bedoel het verschil tussen regels als 'Ik heb een ceder in mijn tuin geplant', of 'een geur van hoger honing' of 'ik ging voorbij, een andere schoonheid riep', en bv. het volgende van Van Dixhoorn:

wat is lekker
bij wat
1. lostrekken

De derde regel staat tegenover de andere twee, en samen houden ze elkaar als yin en yang in balans. Het gedicht gaat op de volgende pagina's verder, maar tegelijk stopt het hier al; het is een korte gedachte, als een knip zonder echo.

Maar laat ik, nu we hier toch zijn, Badiou eens aanhalen, pardon, ik bedoel natuurlijk Roland Barthes, die over de haiku onder meer het volgende zegt:

'Het kappen van de ontwikkeling [hier: door r. 3] is radicaal, en het gaat ook niet om het stilzetten van de taal bij een zwaarbeladen, volle, diepe, mystieke stilte of zelfs bij een leegte van de ziel die zich voor de communicatie met God zou openstellen (Zen kent geen God). Het gestelde is *mat* en alles wat je doen kunt is het overwegen, keer op keer, niet om hem op te lossen alsof hij een zin zou hebben, zelfs niet om er de absurditeit van te ervaren (nog steeds een vorm van zin), maar om hem te herkauwen "totdat zijn tand eruit valt". (Het rijk van de tekens, p. 76).

'Wat is lekker/ bij wat': zo stelt een Japanner zijn menu samen, en hij nuttigt zijn voedsel met stokjes (inderdaad een deiktisch instrument). Zo bezien wordt onze poëzie misschien bepaald door onze neiging de gestampte pot al schrokkend naar binnen te schuiven: daar, in de organen, heeft de band met God bij ons immers zijn ankerplaats.

hanz Mirck

Het heeft denk ik alles te maken met wat bijvoorbeeld Erik Jan Harmens ook weer eens te berde brengt: de balans tussen vorm en inhoud. Hij wil meer bloed en minder techniek. De nadrukkelijk Christelijke dichters zijn van de Boodschap, de mystieke dichters van het onderzoek. Dat laatste is poetisch een stuk interessanter (want daarin heeft de vorm aandeel in de betekenis) en daarom wordt de eerste groep vaak spottend weggezet.

Cath Blaauwendraad

Techniek is bloed.

Cath Blaauwendraad

Techniek is bloed.

Maarten Das

@RHCdG: Dank, ik snap nu beter wat je (of is het u? ik ben zelf 28) bedoelt. Zelf gaat mijn voorkeur uit naar de wél verwijzende poëzie.

Grappig is dat ik in 2004 voor de Wintertuin een gedicht heb geschreven n.a.v. datzelfde gedicht van Van Dixhoorn. En ik maar interpreteren en associeren - ik heb me echt in die tekst verdiept en er van alles uitgehaald wat er waarschijnlijk helemaal niet inzat.

Maar, is dat erg? als je je eigen etiket bent, is er geen 'verkeerde' interpretatie, lijkt me.

Over het persoonlijk geloof van dichters als selectiecriterium: eigenlijk vind ik dat een verarmend criterium (en bij nader inzien ook geen begin van een antwoord op mijn vraag). Zowel gelovigen als niet-gelovigen schrijven immers gedichten over hun verhouding tot (een) God, dus waarom die gedichten uitsluiten die door niet-gelovigen zijn geschreven? (Bovendien: geloof en ongeloof zijn in principe aan verandering onderhevig) Wil je een beeld geven van hoe de mens zich in poëzie verhoudt tot (een) God, dan doe je je lezers tekort door een dergelijk criterium te hanteren.

En werk je volgens mij je eigen veronachtzaming in de hand - je werpt dan kerkmuren op, die zelf ook alleen maar een fictieve scheiding vormen tussen het huis van God aan de ene, en de rest van de wereld aan de andere kant.

Cath Blaauwendraad

Maarten: Wanneer men een bundel samenstelt die zich op een geloofsovertuiging baseert, mag men die geloofsovertuiging toch als selectiecriterium nemen?

Maar net zomin als het bestaan van vrouwencafés het discrimineren van vrouwen rechtvaardigt, mag het bestaan van christelijke bloemlezingen reden zijn tot het veronachtzamen van christelijke poëzie.

Elke stroming kent drammers en zeveraars, laten we die nu voor het gemak even buiten beschouwing laten, en ons afvragen of een goede christelijke dichter dezelfde erkenning ten deel valt als zijn niet-christelijke evenknie.

Het betreffende artikel stelt van niet. Reden? Wellicht dezelfde (voor)oordelen die in deze discussie ook links en rechts opduiken.

hanz Mirck

@ Blaauwendraad: leg dat maar eens uit aan Erik Jan Harmens... en daarbij: bloed stroomt niet vanzelf.

Cath Blaauwendraad

Ik ga EJH helemaal niks uitleggen. Laten we onkunde niet verwarren met smaak en smaak niet met poëtica. Maar misschien dat hij het proeft als hij Boerenpsalm van Felix Timmermans leest. Of beter nog: zich laat voorlezen door iemand met de juiste tongval.

RHCdG

Maarten,

Voor jou is het 'je'.
Kun je je interpretatie van Van Dixhoorns gedicht niet plaatsen ergens? Ik ben wel benieuwd wat je eruit gehaald hebt.

Verder ging het mij niet om een tegenstelling verwijzend/niet-verwijzend, bloed/techniek, autonoom/niet-autonoom, of hermetisch/begrijpelijk. Een gedicht heeft onvermijdelijk een onderwerp. Maar daarmee deelt het nog niet iets mee over een werkelijkheid buiten ons; het roept een andere wereld in het bewustzijn op, die niet is los te maken van de manier waarop de dichter zich uitdrukt. Ik hou van dichters die niet alleen aandacht hebben voor wat ze zeggen, maar ook voor hoe ze het zeggen, en die proberen om niet méér te zeggen dan wát ze zeggen (dus de keuze en rangschikking van woorden) toestaat. Niet omdat dat niet mag, of omdat ze zich niet met maatschappelijke kwesties bezig mogen houden, maar omdat lyriek nog altijd de moeder der politiek is, en ik van dichters verwacht dat ze de verhouding tussen taal en wat door taal wordt uitgedrukt met elkaar in balans brengen. Boek rijmt op koek, en dat is al erg genoeg.

RHCdG

Ik zou mijn voorlaatste zin nog willen uitbreiden met '... wat meer met elkaar in balans brengen dan zij die ons dagelijks voorliegen laten zien'.

Adriaan Krabbendam

christelijke poëzie is poëzie of dichtkunst die tot onderwerp of inspiratiebron heeft een zeepbel die maar niet wil spatten

Maarten Das

@Cath: Tuurlijk mag het, maar ik vind het jammer. Vooral als je een hele hoop goede poëzie daardoor buitensluit. Aan de andere kant: als je christelijke poëzie opvat als 'verkondiging in dichtvorm', is zo'n selectiecriterium natuurlijk gerechtvaardigd. Maar vandaar dus mijn vraag, want bedoelen we dat als we het over christelijke poëzie hebben? Of vallen er ook gedichten onder vanuit het standpunt van niet-gelovigen?

@RHCdG: mijn doorfluister-gedicht nav Van Dixhoorn is nogal lang en vooral als tijdsdocument aardig, maar ik zal het je doen toekomen.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...