Over: Peter Verhelst – Nieuwe sterrenbeelden.
Er zijn twee soorten dichters. Of eigenlijk twee soorten kunstenaars. Zij die zich vooral richten op de vorm en zij die zich meer concentreren op de inhoud. Peter Verhelst behoort tot beide typen. Zijn gedichten hebben een heleboel te melden, maar ze zijn geen duidelijke verhaaltjes, eerder mythische, bijbelse, universele openbaringen. Ze waaieren uit in betekenislagen die de lezer onderdompelen, zonder dat hij echt grip kan krijgen op de materie.
Wat dat aangaat spreekt het omslag
boekdelen: het schilderij Paolo en Francesca van Ary Scheffer. Dit liefdeskoppel
staat in Dantes Goddelijke komedie symbool voor de onmogelijke liefde die maar
niet bekomen kan van de werveldwind die hun passie is. Vergillius en Dante
kijken (op de uit te vouwen binnenflap) toe. Zo laat Verhelst ons kijken naar
zijn reis naar de kern van de wereld, zonder in staat te zijn alles te
doorgronden.
Nemen we het eerste gedicht uit de bundel als voorbeeld:
De pijnboom en het hijgen
Elke ochtend zijn de groeven in de stam
vers,
dierlijker
Overdag moet het zich ingegraven hebben,
houdt het
zich opgerold onder ons schuil
tegen het licht, klauwtjes over de borst
gevouwen
In het avondlicht zwelt een roze wolk
We lossen elkaar af bij de vuren
Voor wie van ons
opent het rekt het
stulpt het
zich
zacht jammerend uit-
Een gedicht dat bol staat van de verwijzingen, meerduidigheid, symboliek. Die pijnboom, dat is al een woordspel op zich natuurlijk, met de groeven die die klauwtjes blijkbaar maken. Klauwtjes van wat? hoor ik u vragen. Geen idee; je zou denken: een vleermuis (die rollen zich op, hangen in het donker met de klauwtjes over de borst) maar deze zijn tegengesteld want ze graven zich onder ons (in de grond of in ons gezelschap?) in plaats van te hangen.
En dan: het gedicht begint met een ochtend: er zij licht (op wat: de wereld, de betekenis, op de thematiek van dit gedicht?). Dan komt er een cliche: een roze wolk. Maar daar komt Verhelst prima mee weg, gezien de raadselachtige omgeving ervan. Blijkbaar gaat het over liefde. Lossen de geliefden elkaar af bij de vuren? De vuren van hun passie?
En wat is dat ‘het’ in de regel eronder, dat zich zacht jammerend openstulpt? Dat ‘het’ uit de derde regel, met die klauwtjes? Wat is dat dan? Geen echte vleermuis maar misschien iets met gedeeltelijk dezelfde eigenschappen, iets wat zich dierlijk vast kan klauwen met scherpe nagels, waar zelfs bomen van lijden? Iets wat ons bloed zuigt? Iets waar we bang voor zijn, en wat we als het donker wordt proberen weg te houden met vuren? En wat we zodoende zelf toch opstoken?
Verhelst speelt een spel met metaforen waar je niet precies de vinger achter krijgt, hij jongleert met symboliek, hij is de Hans Klok die een doek wegtrekt zonder dat je ziet wat er achter zat. Maar in tegenstelling tot bij Klok is het geen lege truc die Verhels uitvoert, maar winnen zijn gedichten aan zeggingskracht: juist omdat je ze niet precies kunt uitleggen zijn ze hun bestaan waard.
De boom in het gedicht is een boom van liefde, die groeit, waaraan je vruchten kunt denken, maar ook een teken dat uitwaaiert zoals het gedicht zelf, aan elk blaadje een nieuwe invulling van een groot thema. Misschien de liefde, misschien wel veel meer dan dat. Ik hoef het niet precies te weten, ik loop door de tuin die deze bundel is en verbaas me over de grote schoonheid ervan.
© Hanz Mirck
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties