Mischa Andriessen publiceerde eerder eigen poëzie en vertalingen in onder meer De Brakke Hond, De Revisor, Poeziekrant, Bunker Hill en Deus ex machina. "De gedichten van Mischa Andriessen bevinden zich," stelt zijn uitgeverij, "op het snijvlak van proza en poëzie. Gedichten die het verhaal vertellen van de vriendschap tussen De en een 'ik', en hun kleine universum, dat soms toch te groot is om te bevatten."
(1) Wat is uw favoriete gedicht uit deze bundel?
Dat wisselt, maar voor nu is het even:
Ballen
Er wordt wat afgestorven daar in onze tuin, overal
is het stil, zonder uitzondering ten prooi aan eindeloze slaap.
De krekels hebben hun doordringende balts gestaakt.
Er zal nu zeker niemand meer komen. Dit is het
en voor het eerst voelt het niet alsof er iets mist.
D en ik kijken jaloers naar de witte kat,
die zo makkelijk met zijn kop bij zijn ballen kan,
waar het altijd een paar graden koeler is.
© Mischa Andriessen, 2008
(2) Vertel wat u over deze bundel kwijt wilt, in maximaal 200 woorden die niet op de flaptekst mogen voorkomen.
De gedichten in de bundel zijn in de loop van zes jaar tot stand gekomen, maar dat betekent naar mijn idee niet dat het resultaat overbewuste, cerebrale poëzie is. In eerste instantie gaat het mij om het creëren van een sfeer. Ik had het beeld voor ogen van de lange vakantie na mijn eindexamen (ruim negentien jaar terug). Een periode waarin tijd en mogelijkheden eindeloos rekbaar leken. Dat is wat ik heb getracht op te roepen. Niet letterlijk, het boek gaat niet over witbier op het terras van café De Flierefluiter, niet over de vrienden, vriendinnen en verliefdheden van destijds, maar het moest dat gevoel benaderen. Ik hoop dat de gedichten in eerste instantie op een primair niveau aanspreken, dat ze ontroeren, geestig zijn of liefst beide. De diepere lagen die ook wel zijn aangebracht, zijn van later zorg.
(3) Welke dichters (of dichter) behoorde(n) bij het schrijven van deze bundel tot uw inspiratiebronnen? Op welke wijze?
Toen ik Jules Deelder ergens halverwege de jaren tachtig zag optreden, ben ik voor de poëzie gewonnen. Lucebert en Majakovski zijn daarna beide van groot belang voor mij geweest, maar ik geloof dat ik van geen van drieën blijvende invloed heb ondergaan. Ik ben een fervent gedichtenlezer, maar probeer ervoor te waken dat ik te lang bij één dichter blijf hangen. Om die reden heb ik ook zeer uiteenlopende dichters vertaald. O.a. Gottfried Benn, Paul Beatty, Andreas Altmann, Stephen Dobyns, Ishmael Reed. Een dichter die ik helemaal vergeten was, maar toen ik zeer recent verhuisde weer ‘tegenkwam’, is de Chileen Nicanor Parra. Ik geloof dat heel subtiel iets van het soort onopgesmukte gedichten dat hij en Roque Dalton schreven, in mijn poëzie gesijpeld is. Een gedicht dat vanaf de eerste keer dat ik het las in mijn hoofd is blijven zitten, is “I know a man” van Robert Creeley; helder en raadselachtig tegelijk.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties