Frederik Lucien de Laere meldt: "Het nieuwste stadsgedicht van de Damse stadsdichter prijkt nu aan de muren. Hier het eerste stuk op de zijgevel van het stadhuis, de rest te volgen via de nieuwe poëzieroute die loopt langs de Burgstraat tot op het speelplein van een oud schooltje, waar Paul Verstraete van boekhandel Oorlog en Vrede u opwacht met zijn rijke hoeveelheid literatuur, geschiedenis, poëzie..." Onze lezers die niet wekelijks in Damme moeten zijn, kunnen op onderstaande link klikken en dit bijzondere vers toch lezen.
Vriezeganzen
1.
Ze zijn er, de band met de polder
is sterk: in
het zwerk zien we ze dalen
in honderdtallen, neerstrijkend in de
winterstal:
het vlakke land geijkt in het geheugen.
De vlucht naar
Vlaanderen vindt hier
een einde, een zalige einder,
een uitgelezen
bestemming,
een land van melk en honing.
2.
Het team
werkt
aan een gezamenlijk vooruit, een slipstream,
klapwiekend, met
nasaal wink-wink-ke-wink
wijken zij massaal
uit het noorden, vliegen
op
als de wind hen zint
naar zuidelijker oorden.
3.
Het paar
blijft
eens het uit een trio is gevormd
en met brio een triumfgeschrei
aanvat,
na het dreigen komt het ei,
de koppen bij elkaar,
de nekken
gestrekt naar
de toekomst, begrijpend elkaar
met een enkele
gak.
4.
Het gebroed lonkt,
ze zeggen het donker vaarwel
en
stijgen op, neigen naar de pool,
de eeuwige lichtbron, een zon
die niet
ondergaat, de vijand
zichtbaar maakt en in de klaarte
aan zijn prooi
verzaakt.
Aan de rand van het ijs
lijsten nesten
op.
5.
Groot onderhoud voor een nieuwe slagorde:
het kleed
vervangen, zwijgzaam,
met alle pennen samen zij aan zij zijn zij
geruid en
vliegvlug, hoog in Spitsbergen
trotserend het min,
verlangend naar een
nieuw begin.
6.
Donsgepluk: het lukt aardig
het leggen ei voor
ei,
het stap voor stap levengeven
in de toendra, zuiver toeverlaat.
Het broeden in het barre
gaat door tot de stilte breekt,
tot de blik
verweekt, en de kuikens
hoorbaar bij ‘t
ontluiken…pieperdepiep.
7.
De voorraad onder de veren
is de
vrucht van het tafelen,
de taferelen in de wei te Damme,
het bijna
Bourgondisch vergaren
van gras, oogstrestant, reserve
voor de verre reis
naar het ijs,
het Arctisch park.
8.
De kop op en hop, ze
smeren ‘m
in looppas tot de vleugels opheffen
de volronde last om het
treffen
te voorkomen met vos of mens.
Het hens aan dek lekt
brandstof
voor winterkou, het gevaar is vaak
het bibberen niet
waard.
9.
Hun overwinteren windt op:
in de kijkhutten wordt het
krap,
men zet zich schrap voor het spotten
en het tellen, het telkens weer
bestuderen, registreren, coderen.
De ringen als pas,
traceerbaar
medium, routeplanner.
10.
De aankomst blijft
mystiek:
het home sweet home van elk perceel
verbaast vriend en vijand:
de tand des tijds heeft geen invloed
op het komen en gaan, het wel en
wee
van deze luchtstoet, van dit ganzenspel.
© Frederik Lucien de Laere, 2008
Peter Knipmeijer
Peter Drehmanns
Nanne Nauta
Eelke van Es
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Reacties