Bij de meeste auteurs
verschijnt het Verzameld Werk na hun dood. Victor Vroomkoning vormt daarop een uitzondering, want een paar weken geleden verscheen van hem een kloeke verzamelbundel onder de titel Ommezien. Het fraai vormgegeven boek bevat een groot deel van het werk dat hij tussen 1983 en nu publiceerde.
Afgezien van de vraag of Vroomkoning dan na deze uitgave nog iets denkt te publiceren, is in dit geval de winst dat de auteur zelf zich bemoeide met de uitgave. Hij herzag en schrapte diverse gedichten maar voegde ook een nieuwe bundel toe, Reislust. En... een titel voor 't geheel.
Om met die titel te beginnen: die is erg Vroomkonings: een diepzinnige woordspeling. Je ziet met een verzameld werk om, en je realiseert je dat het in een vloek en een zucht gebeurd is, dat dichtersleven. En daarmee hoe relatief de levenslange ontwikkeling is. Hoe weinig tijd je bemeten is om te groeien.
Noem het ouderwets, zo’n onschuldige licht-melancholische tongue-in-cheeck titel, hij werkt wel. En dat is exemplarisch voor Vroomkoning: degelijk vakmanschap is wat hij maakt. Ik hoorde hem eens tegen Marjolijn Pieks (dichteres verbonden aan Loesje) verzuchten dat een gedicht niet in een kwartier maar in een maand geschreven wordt. Als je deze turf leest, lijkt dat sterk; maar het zegt wel iets over zijn opvatting over vakmanschap.
Exemplarisch is ook het titelgedicht van de nieuwe bundel Reislust:
Je reist, verlaat het eigene, ontwaart je vrees
voor
het onvertrouwde. Alles is oefening
leren de oude wijze Grieken. Kwestie
van
zelfbeheersing, zo versta je.
Je hoeft er land noch deur voor
uit, het vreemde
verschrikt het diepst nog in jezelf. Kwestie
van
zelfkennis, zo begrijp je.
Je huivert als je over de
allernaaste heen
gebogen de ander ontmoet, jezelf veliest,
de kleine dood
vindt.
Reizen is aanvaarden, elke tocht een oefening
voor je vaart
naar het schimmenrijk, een door-
gronden van je angst voor de aan jou
gelijke,
voor de uiteindelijke u.
Weer een gedicht dat je op veel manieren kunt duiden. De reislust gaat over terug in de tijd, omzien naar je eigen oeuvre, in die zin is de dichter zijn ‘uiteindelijke u’ – wie hij zichzelf geschreven heeft.
Zoals vaak komt er stiekem wat erotiek om de hoek, die lust is er ook, en de kleine dood. Maar altijd dient dat bij Voomkoning een hoger plan, nu ook: om jezelf te ontmoeten. De uiteindelijke u is niet per se God, anders had er wel een hoofdletter gestaan. Deze dichter is niet vroom maar zijn eigen koning, die zijn eigen schepping beziet. Hij heeft ons wat te leren maar toch staat er meer dan er staat: hij deelt de angst met ons, daarom kan hij die alleen abstract neerzetten.
Dat zie je veel in Vroomkonings werk: dat
menselijke. Hij blijft een leraar die ons iets wil vertellen, maar tegelijk een
mens die gelijkwaardig is aan de lezer: hij ervaart hetzelfde mysterie.
Kijk
maar naar het eerste gedicht van de eerste bundel (is het toeval dat die De
einders tegemoet heet?) met de titel ‘Wind’:
Ze leunt met gladde
buik
tegen de ballustrade.
Wind beloert haar, vergrijpt
zich aan haar
billen.
Hij loert vanuit zijn stoel
naar haar waaierend
bolwerk,
tast met steelse vingers
de verre vormen
van haar lichaam
af.
Met een ruk draait ze zich
om. Hij zit met lege handen.
Je
zou wel willen, zegt ze,
wind zijn, me bestormen,
je zou wel
willen.
De vrouw die zijn gedachten raadt, zelfs zijn beelden, associaties... De lezer herkent het eerste, niet het tweede, maar daardoor wordt de dichter aan de lezer gelijk, het gedicht nog indringender. En weer speelt lust een rol, maar gaat het om meer: het verlangen en hoe een mens daar machteloos in kan zijn.
Hier heeft de ‘ik’ nog een streven, in de nieuwste bundel beseft hij de relativiteit ervan. Maar nog altijd schrijft hij met heel eenvoudige zinnen met veelbetekenende woordgrappen de tragische mens. Dat is niet cool, niet vernieuwend maar wel troostrijk, menselijk en vakkundig. Wie weet zou een nieuwe bundel daar niets nieuws aan toevoegen – toch hoop ik daar stiekem op.
© Hanz Mirck
Victor Vroomkoning, Ommezien, gedichten 2008 - 1983, Arbeiderspers, 2008
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Er is nog een derde betekenis in de titel leesbaar - die van de nieuwsgierigheid en de waarneming.
Geplaatst door: Adriaan Krabbendam | 24-11-08 om 11:42
Wat verder gezocht, is het ook een statement: waar gaat het om? om me zien.
Geplaatst door: Wim van Til | 24-11-08 om 17:57
Voor "mijn" betekenis moet je het woord ook in syllaben tot drie woorden hakken. Uit alleen al het geciteerde eerste poeem van de eerste bundel hier blijkt dat het gaat om een met name kijkende, loerende dichter. En hij wordt daarop betrapt, inderdaad, net als de lezer. De deksel op de neus van de lezende en dichtende voyeur. Mooi is natuurlijk om juist dát te noteren, de plagerigheid van het object, die de dichter/loerder/lezer op z'n lege handen wijst.
Maar de stelligheid neemt in de loop der jaren toe, en daarmee verflauwt het omzien. De wind heeft dan niet langer vrij spel.
Geplaatst door: Adriaan Krabbendam | 24-11-08 om 22:40