Er zijn drie soorten auteurs. De eerste
groep ontwikkelt zich van het eerste boek totaan het laatste, zoals
Paul van Ostaijen. De tweede groep probeert almaar hetzelfde te
vertellen en zoekt daar steeds betere vormen voor, zoals Jan
Siebelink. De laatste groep is van meet af aan van hoog niveau maar
vernieuwt zich nauwelijks. Lucebert is daar een voorbeeld van. En ook
Bernlef.
In zijn laatste bundel toont hij ons opnieuw de wereld als een onkenbare
plek waar levende wezens zonder grip op de werkelijkheid te krijgen ronddolen.
Hij doet dat met tederheid en humor, toont ons hoe dingen komen en verdwijnen,
ons verbaasd achterlatend.
In het werk van Bernlef is veel aandacht voor de taal, als middel om
grip op die werkelijkheid te krijgen. De meeste dichters die over taal beginnen
worden scholastici, vervelen ons met theorie, in plaats van praktijk. Bernlef
komt er mee weg. In het openingsgedicht van de bundel, ‘Het vrije veld’,
beschrijft hij de toekomst als een plaats waar ‘het gedicht niet kan komen (...)
Uit de hemel hangen draden, slordig afgehecht.’ Hij maakt er dus toch meteen een
beeld van, en beschrijft het onmogelijke: ‘Een en al onaantastbare luister.’
Bernlef is daar een meester in, om dat gebied te verkennen. Je kunt zeggen
dat stilstand achteruitgang is, maar is dat ook zo als je op zulke eenzame
hoogte opereert?
Er is verandering waar te nemen in zijn werk, want de dood komt steeds meer
binnen. ‘Ach het sterven... Al doende wordt men afgedaan’, schijft hij dan.
Blijkbaar komt dat te dichtbij want hier komt de pathetiek binnen. Sterker is
hij wanneer hij zich richt op het wonderlijke:
IJsvogel
Bij het tijdschrift, gewijd aan de natuur
kreeg je een ijsvogel
cadeau
‘door een originele kunstenaar vervaardigd
en beschilderd met de
hand’
Ik kijk naar de houten vogel op mijn bureau
en dan naar mijn
werkeloze handen
ik hoor hem wegwieken in mijn hoofd, sluit ik mijn
ogen
zie ik hem voor mij in volle kleurenpracht.
De ware kunstenaar heeft het nakijken
ziet van hem af en schept met
de hand
de leegte die de vogel achterliet, de tak waarop hij zat
nog
lichtjes trillend boven de stromende rivier.
Bernlef begint over ‘de ware kunstenaar’, een pretentie die je vaak bij
beginnende dichters ziet. Maar hij weet precies wat hij doet want ten eerste
zegt hij dat de ware kunstenaar machteloos is bij het immiteren van de natuur
(en de werkelijkheid), en daarna overstijgt hij dat door het onmogelijke te
doen: hij beschrijft de leegte. Hij maakt van zijn zwakke punt (dat taal de
werkelijkheid niet kan vatten) zijn sterke punt (door dat ook niet te
willen). Toch glijdt hij soms uit, in te uitleggerige gedichten als de reeks
‘Choreografie voor een meisje van drie’.
I
De man aan de rand van het plein
een dansend meisje van drie liet hem
zien
hoe hij diende te leven: steeds overnieuw
Binnen, aan de meterdikke museummuren
hingen ingelijste fragmenten van
een mozaïek
puzzelstukjes uit een niemandsland
Het meisje van drie, schots en scheef in haar rok
springend van tegel op
tegel, van hot naar her
ernstig verdiept in pirouettes en passen.
De conservator had een kaart getekend
verbindingen gelegd waarbinnen
brokstukken
zich maar schoorvoetend schikken wilden.
Met haar slingerbeentjes, spits opgerichte kin
welke choreografie ligt
aan haar dans ten grondslag
wat beweegt haar over dit zinderende plein?
Plotseling staat zij stil, kijkt om zich heen
telt tegels en knikt.
Klaar.
Uitgeraasd neemt zij de benen.
Ook de man stapt op, gaat het museum binnen
zijn ogen springen van
scherf naar scherf
met een glimlach denk hij aan haar dans.
Een typische Bernlef, met die aandacht voor het toevallige, en weer dat
niemandsland.
Maar die slotzin is te obvious en die glimlach te pathetisch, vind ik.
Zeker in combinatie met die zakelijke stijl vol flauwe woordgrapjes (uitgeraasde
danseres neemt de benen) en cliché-formuleringen (van hot naar her). Ik vind dat
jammer.
Wat Bernlef ons te zeggen heeft is sinds zijn debuut in grote lijnen
hetzelfde gebleven. Het is ook de moeite waard, zonder meer. Maar voegt deze
bundel nou iets toe aan zijn verzamelde gedichtenbundel ‘Achter de rug’?
Inhoudelijk niet, denk ik. Maar het blijft spannend om deze meester de strijd
aan te zien gaan met het onzegbare, het onbegrijpelijke. We kunnen hem niet
verwijten dat het af en toe wat uit de bocht vliegt, omdat hij zo zijn best
doet, toch?
Wat ik Bernlef moet nageven, is dat hij een beklijvend gedicht over een ijsvogel schreef nadat Faverey dat deed.
Geplaatst door: Jeroen Dera | 18-11-08 om 15:34
En natuurlijk ook na Arie van den Berg (op het oude tientje) en Hilbrand Rozema. Enz.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 18-11-08 om 15:58
ik vind die laatste regel in combinatie met dat meesterschap wel opvallend.
een meester zou niet zoveel uit de bocht mogen vliegen.
hoe dan ook, mij kan hij met zijn gedichten nog steeds niet boeien.
Geplaatst door: saskia van den heuvel | 18-11-08 om 16:36
en ik vind dit maar dikke onzin..... maaarja moet et voor school doen, maar heb niet egt veel hieraan gehad.. maar wel wat, dus iig bedankt ! :P
Geplaatst door: Bernlef | 24-3-09 om 19:56