Vanaf vandaag schrijft Hanz Mirck recensies voor deze website. Hieronder zijn eerste, een uitgebreide versie van zijn stuk over Bedrieglijke dagen, de nieuwe bundel van Hester Knibbe. Op verzoek van Mirck is de reactieknop uitgezet:
Wie tussen de regels in deze bundel doorleest, ziet (zo belooft ons de flaptekst) onheil. Registratie van geluk en ongeluk, het wereldschokkende. Ik sla het gedicht op pagina 18 op, wat blijkt te gaan over vliegen die de ‘ik’, die halfnaakt op vakantie ontwaakt, beschouwen als een ochtendrantsoen, ‘hun goed begin, McDonald’s drive-in’. Niet echt wereldschokkend, hm? Het gedicht maakt deel uit van de titel-reeks, over vakantie en bijbehorende mijmeringen. Het vereist veel fantasie van dichter en lezer om daar echt onheil in te vinden.
Nee, dan de reeks daarna: ‘Huidig’ met het gedicht ‘In F-majeur’: ‘Fictie voortaan wat hij ooit worden zou. / Maar wij frauderen en behouden hem: hij is / in film en droom, zijn floppy’s, fiets die zonder / zadelpijn dag in dag uit.’ Dat spel met die f-fen, de emjambementen, de bijna zakelijke toon die doet denken aan een achteloos gefloten liedje wat de pijn (van de dode over wie het gedicht gaat?) verbloemt: dat is sterk.
Maar waar gebeurd of niet is geen excuus: een gedicht wordt niet goed door het onderwerp. En een bundel niet door de waarschuwing dat alles bedriegelijk is. Het gedicht ‘Idylle’ bijvoorbeeld, gaat over een foto uit de jaren ’60, en de kinderen die erop staan. ‘[...] Ze / vochten klierden en huilden alleen // buiten de kiek’ en verderop: ‘Prachtig // zo’n kast met kleurige ruggen waarachter / idyllisch wij of zij of idyllisch jij of ik met / die twee moegespeeld moegeschreeuwd.’ Ook hier is het vastgelegd moment bedriegelijk, buiten het kader blijkt de werkelijkheid minder eenduidig. En dat wordt juist gesuggereerd door die al te idyllische foto.
Het maakt Knibbe’s poëzie niet navenant bedreigender. Sterker nog: het trucje kan ook tegen de bundel werken: het is een veilig idee om te weten dat alles wat we lezen allemaal leuk lijkt, maar ondertussen.... Wanneer de gedichten de lezer niet meer verrassen is het uit met het spel en wordt het een trucje. En inderdaad, dat is dan de thematiek van de bundel, en zo zijn de gedichten dus gemaakt, vanuit die gedachte. Maar houdt die gedachte een hele bundel stand of had dat ook in één gedicht neergezet kunnen worden?
Persoonlijk vind ik het gedicht ‘In F-majeur’ daarom het sterkst, omdat het daar op me overkomt alsof ook de ‘ik’ in het gedicht is overvallen door de bedriegelijke werkelijkheid die ineens omsloeg. Als ik het gevoel heb dat Knibbe mij zorgvuldig geregisseerd zit te bedriegen vind ik er niks an.
De derde reeks, ‘Hond op de Akropolis’, vermengt ook het vakantie-idee met iets diepers: de hond wordt een mythische figuur maar lijkt een gewone stomme zwerfhond. Dat onnadrukkelijke, subtiele van Knibbe’s werk, wat heel veel ruimte laat aan de lezer en soms onschuldig taal-vermaak lijkt, is haar grote kracht maar ook haar zwakte: als ze te subtiel is, zie je niet dat haar gedichten wel degelijk diepgang hebben.
Ook de slotreeks ‘Memento’ is op het scherp van de snede: een familielid in zijn/haar laatste dagen, waar jeugdherinneringen bovenkomen: ‘want witte kool en rode kool die zaten / samen op een sleetje tante peetje.’ Maar ook speelt Knibbe hier een spel met het dichtdoen van de deur, waar de overledene blijkbaar aan hechtte, en uiteindelijk doet ademnood de deur van de bundel dicht. Dat is, wat mij betreft, helemaal raak.
De bundel eindigt dan met het gedicht ‘Zo heb je het zelden: turksblauw’ waarin de waarneming zich wederom sluit als een foto waarvan we nu dus weten dat buiten het kader er meer is: ‘Alles klopt als een wonder, een zwerende / vinger, een ansicht.’ Al met al speelt Knibbe vakkundig met de suggestie. Niet omdat ze als een goochelaar steeds dingen in de coulissen verborgen houdt, maar omdat ze deelt in onze ervaring en zich op gelijke hoogte van verwondering opstelt. Want ze beschrijft in dat slotgedicht ‘het strand met hooguit / wat stenen die je voetzolen lichten en / tenen doen krommen / achter je rug // een grillige kom met huizen melkwit’. Je voelt hoe je voet meegaat met wat ze beschrijft, hoe je net als zij door de wereld bedrogen wordt.
© Hanz Mirck
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Laatste reacties