Langs de andere kant, leve de website van De Witte Raaf, en ook leve tijdschriftenwebsites (bijvoorbeeld van de De Brakke Hond en Rekto:Verso) die hun hele inhoud (vrij snel) online zetten. Het blijft me verbazen waarom andere gesubsidieerde culturele en literaire tijdschriften hun inhoud nog altijd niet meteen en volledig online (laten) plaatsen. En dan denk ik dus aan méér dan inhoudsoverzichten en aan méér dan één of enkele artikels uit het nummer. Dan denk ik aan de volledige bijdragen en niet aan fragmenten en beginnetjes die eindigen met: 'lees meer in het papieren nummer' (zelfs gedichten worden soms als met een cirkelzaag afgesneden). Angst om abonnees op de papieren versie te verliezen? Het abonneeaantal is naar het schijnt een van de subsidiëringscriteria. Maar de tijdschriften zullen toch, als ze het goed aanpakken en hun inhoud goed ingevoerd en aangeboden wordt, er veel lezers bij krijgen? Naast inhoudelijke kwaliteit (dat vooral toch), lijkt mij de kwaliteit van het online bewaren, structureren en toegankelijk presenteren van die inhoud tegenwoordig een valabel en beter extra subsidiëringscriterium te zijn dan het aantal abonnees of het aantal gedrukte exemplaren.
Lees meer behartenswaardigs van Paul Bogaert op Parlan.doc >>
Peter Knipmeijer
Peter Drehmanns
Nanne Nauta
Eelke van Es
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Met name die laatste zin lijkt me erg belangrijk. De prachtige tijdschriften die we wel degelijk hebben, bereiken met elkaar 4371 abonnees en hebben een totale losse verkoop van 2750 exemplaren per jaar. Het gaat dan om twaalf, door het Nederlandse fonds gesubsidieerde tijdschriften. Criterium voor subsidiëring in Nederland is momenteel, naast kwaliteit, het exploitatietekort van de uitgever.
Tijdschriften kunnen niet alleen mooi en prachtig zijn, de verdedigers van subsidiering wijzen ook – en terecht – op de belangrijke functie die ze hebben in het literaire bestel. Ze zijn een kraamkamer voor talent, een podium voor poëticale debatten enz. Elke neerlandicus krijgt tijdens zijn studie te horen dat de literatuurgeschiedenis sinds het midden van de negentiende eeuw voor een gedeelte vorm heeft gekregen via de tijdschriften.
Die tijdschriften waren tot het begin van de jaren ’90 verkrijgbaar in boekhandels en voor iedereen, van Middelburg tot Enschede, in te zien in openbare bibliotheken. De bibliotheken hebben, op enkele uitzonderingen na, hun abonnementen opgezegd en hetzelfde geldt voor scholen. Een tijdschrift als Hollands Maandblad is in Den Haag, toch de meest Hollands Maandblad-achtige stad van Nederland, in geen boekhandel te krijgen.
De conclusie lijkt me logisch. Als de subsidiëring van de literaire tijdschriften gerechtvaardigd wordt met de functie die ze hebben in het literaire leven, moeten die tijdschriften wijd verspreid worden. Het internet is de nieuwe openbare bibliotheek. Naast kwaliteit zou de beschikbaarheid op internet inderdaad een doorslaggevend criterium moeten zijn voor subsidiënten.
Geplaatst door: Gert de Jager | 13-4-08 om 10:13