Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Meander Klassiekers: honderdste editie | Hoofdmenu | Taalunie weinig slagvaardig »

14 november 2007

Nogmaals: 100e Meander Klassieker

De honderdste Klassieker moest een bijzondere aflevering worden: passend in de serie besprekingen van interessante gedichten van na 1880, maar naar onderwerpkeuze en behandeling opvallend. Met 'Panta rhei' van Hans Kloos dat in september als 'Gedicht van de week' geplaatst werd op de site van De Contrabas, en daar direct ruime aandacht vroeg, diende zich een belangwekkende eigentijdse tekst aan met duidelijk 'klassieke' elementen. Rutger H. Cornets de Groot vond er de uitdaging in tot het schrijven van een uitvoerige, diepgaande analyse. Aan de lezers van de Klassiekers de opgave om zijn indrukwekkende poëzie-essay op de juiste waarde te schatten >>

Reacties

Gert de Jager

Uitvoerig en diepgaand is CdG’s analyse zeker, maar wat mij betreft raakt hij de essentie van het gedicht niet echt. Te veel wordt het bij hem een gedicht dat over de beperkingen van het wetenschappelijk denken gaat en te weinig heeft hij oog voor het concrete beeld dat de dichter ons presenteert.

Om te beginnen: Heraclitus als archetypische, tot de slavernij aan zijn denkbeelden dwingende wetenschapper? De filosoof die vond dat het oog bedriegt en als een ware deconstructivist de opposities van het denken relativeerde? Ten bate van een onafgebroken 'worden'? CdG voert Gilles Deleuze op als de ‘referent’ in zijn betoog, maar als er nu één klassieke filosoof is die als referent zou kunnen fungeren voor Deleuze zelf, dan is het Heraclitus.

Het is daarom maar de vraag of de slavin aan het conceptuele vangnet van Heraclitus probeert te ontsnappen. Zij is de slavin van het panta rhei zoals wij dat allemaal zijn. Zoals ook de ikguur in het gedicht dat is. De enige uitweg is wellicht zelfmoord.

De ‘ik’ wordt door CdG voor een belangrijk deel geïdentificeerd met de rivier waar de slavin doorheen waadt. Dat leidt in de derde strofe tot een verwrongen beeld. Doet zich voor die rivier een overkant voor? ‘Ziet’ de rivier de weerspiegeling van een rug aan zijn eigen oppervlakte? Ziet de rivier dus zijn eigen gezicht? Gaat die rivier vervolgens dromen? Niet erg voor de hand liggend allemaal.

Ik zie in het gedicht een ‘ik’ die een vrouw door een rivier ziet waden. Het doet iets in hem ‘golven’. Zij verwijdert zich, haar emoties – ‘ik kan haar gezicht niet zien’ - onttrekken zich aan de waarneming. Zij maakt iets mee wat hij alleen in een droom kan ervaren – een droom waarin hij net zo ‘lek’ is als zij. Deleuze aanroepen, Democritus, Nietzsche, Vestdijk, Henry Miller, Lacan - ach ja. Het getuigt natuurlijk ook helemaal niet van semi-wetenschappelijk imponeergedrag. Maar voor het begrijpen waar het in dit gedicht om gaat, heb je meer aan 'le poète y' van Kouwenaar, ‘Chrysanten, roeiers’ van Faverey of Bloems ‘Insomnia’.

Micha Hamel

En dat haar gezicht niet kan worden gezien, is voornamelijk omdat zij met de rug naar hem toestaat. Ze gaat waden, dus ze moet kijken waar ze haar voeten zet. Die kuiten, ja, die vallen dan op. En de rug, compleet met weerspiegeling. Want ze loopt naar de overkant, nietwaar, (ook weer een artikel waard, die overkant) van de dichter af. Het gedicht volgt de blik van het oog naar het geestesoog.

RHCdG

Beste Gert,

Het beste wat ik van je reactie kan zeggen, is dat hij er bijna in slaagt je blijdschap te camoufleren over deze kans mij te desavoueren. Die blijdschap blijkt vooral uit de snelheid waarmee je reageert: het stuk heeft de tijd niet gekregen om te bezinken bij je, want had het dat wel, dan zou je al je aanmerkingen er zelf door ontkracht zien worden. Nu dwing je mij er een soort supplement bij te schrijven, en daaruit blijkt dat de bron van die blijdschap een soort onhebbelijkheid is: ja, had jij zelf maar zo'n fraai artikel geschreven: dan had de academie zich om jou van spijt opgevreten!

Nou goed, punt voor punt dan maar. Nergens in mijn stuk staat dat Herakleitos een 'archetypische, tot de slavernij aan zijn denkbeelden dwingende wetenschapper' is. Ik zeg alleen dat er in het gedicht sprake is van een slavin, die Herakleitos toebehoort. Dat staat overigens ook in de titel van het gedicht, die speciaal voor jou nog in een wat grotere letter is afgedrukt, maar enfin. Met andere woorden: het denkbeeld 'panta rhei', gepersonifieerd door de slavin, hoort Herakleitos toe. Wordt dit denkbeeld daarentegen op de concrete natuur toegepast, dan kan het geen stand houden: het/ze vereenzelvigt zich eerder met die natuur, dan met de ideeën die op die natuur worden geprojecteerd. Daarom is wetenschap een op zichzelf betrokken wereld - al vindt die allicht aanleiding in de natuur.

'De filosoof die vond dat het oog bedriegt': nergens zeg ik dat het oog bedriegt; alleen maar dat het anders waarneemt dan het oor.

'...en als een ware deconstructivist de opposities van het denken relativeerde': de opposities van het denken? Welke opposities? Ik weet bij god niet waar je op doelt; alleen dat ik nergens deconstrueer; integendeel, ik wijs voortdurend op het vermogen van lichamen, stromingen, bewegingen, om koppelingen aan te gaan en verlangensmachines te vormen.

'als er nu één klassieke filosoof is die als referent zou kunnen fungeren voor Deleuze zelf, dan is het Heraclitus': volledig mee eens, en ik beweer dan ook nergens dat die twee het niet met elkaar zouden kunnen vinden. Sterker nog, ik verstevig hun band door ook Nietzsche nog in te voegen, in mijn niets ontziende imponeerdrang. Ik denk dat je eigenlijk bedoelde te zeggen dat ik in Deleuze bij uitstek het ideeëngoed heb gevonden voor dit gedicht.

'Het is daarom maar de vraag of de slavin aan het conceptuele vangnet van Heraclitus probeert te ontsnappen. Zij is de slavin van het panta rhei zoals wij dat allemaal zijn': precies zo staat het in mijn bespreking: "De hele natuur is aan dat principe onderworpen: de rivier, maar vooral ook de slavin, wier ondergeschikte positie de uitdrukking is van deze onderworpenheid". Maar dat betekent niet, dat zij, als personificatie van dat concept, haar eigen gang niet zou kunnen gaan, en onder de voogdij van haar schepper uit zou willen komen. Precies hier verandert Herakleitos' machtsgreep in een vrolijke wetenschap: hij brengt zijn concept tot leven door er een personificatie van te creëren, en zet daarmee zichzelf in de waagschaal. Niet als belangeloze beschouwer, maar als belanghebbende: zonder spijt geeft hij zijn kennis terug aan de natuur waaraan hij die ontleende. Dan maar geen 'wetenschap'. Moeilijk, hè?

'De enige uitweg [aan die onderworpenheid] is wellicht zelfmoord': een nogal smakeloze verwijzing naar Deleuze's eigen daad, waarbij het je ontgaat dat die als variant kan worden gezien op Herakleitos' afstand doen van zijn slavin: niet om niet langer onderworpen te zijn, maar om niet tot het uiterste aan zelfbehoud te hoeven vasthouden. "Verre van een subject te veronderstellen, kan het verlangen slechts bereikt worden op het punt waarop iemand afstand heeft gedaan van de macht Ik te zeggen," citeer ik nog. Dat is heel wat anders dan de laffe daad die jij ervan maakt.

De vragen die je in je voorlaatste alinea stelt, zijn stuk voor stuk eenvoudig te beantwoorden wanneer ook jij je los zou kunnen maken van het denken in en vanuit subjecten. Ik laat in mijn stuk verschillende perspectieven de revue passeren: de rivier als rivier, als door de natuur gegeven, als product van Herakleitos' vertoog, als bestemming van de slavin, als iets dat zichzelf niet gelijk blijft. Mutatis mutandis voor de slavin, die ik niet voor niets ook heldin noem, voor Herakleitos en voor het gedicht zelf. De 'verwrongenheid' die je waarneemt, is resultaat van je eigen gebrek aan flexibiliteit, het onvermogen verschillende standpunten in te nemen - meer dan 100 jaar na de eerste kubistische schilderijen, maar dat terzijde.

Jouw interpretatie lijkt weldadig terughoudend, maar is klakkeloos en veronderstelt veel meer dan je zelf verantwoorden kunt: een 'ik', een 'iets', 'emoties', een 'droom', een 'ervaring'. Stuk voor stuk verzamelnamen voor uitermate gecompliceerde, telkens wisselende processen. De stijl van de grote greep. En als klap op de vuurpijl het verwijt van imponeergedrag wegens het noemen van een aantal relevante namen, - waarbij ik die van jou helaas, maar niet ten onrechte, vergat.

Gert de Jager

Wat een motieven en motivaties worden mij weer in de schoenen geschoven.

Het treurige van CdG's stukken is dat ze een soort autonoom zich genererende ideeënstroom vormen. 'Nu het gedicht over een wetenschapper gaat', staat er op blz. 1 als je het stuk uitprint. Dat wordt als vaststaand aangenomen en vervolgens gaat het daar dan bladzijden lang over. Om dat waar te nemen hoef je alleen maar retorische trucs te kunnen onderkennen.

In het gedicht gaat iemand te water in wat wel eens een doodsrivier zou kunnen zijn. De verwijzing naar de zelfmoord van Deleuze is de jouwe, niet de mijne.

Gert de Jager

P.S. "De filosoof die vond dat het oog bedriegt en als een ware deconstructivist ...."

Dat is natuurlijk Heraclitus. Zie fragment 46 en nog wat andere fragmenten.

RHCdG

'Het treurige van CdG's stukken is dat ze een soort autonoom zich genererende ideeënstroom vormen' - en dat is treurig? Ha!

RHCdG

Fragment 46? Ik ben... geïmponeerd.

Gert de Jager

Ja, je dacht namelijk dat het over jezelf ging.

Ik laat het hierbij. Veel autonome denkprocessen toegewenst.

A. Maatman

Het stoort mij behoorlijk dat twee volwassen mensen (CdG en GdJ) niet in staat zijn een 'schriftelijk' debat te hebben zonder elkaar aan te vallen en te kleineren. De discussie van jullie is erg persoonlijk en dat leidt af van de inhoud.
Jammer!

Gert de Jager

Het spijt me, mijnheer of mevrouw Maatman, maar op mijn allerlaatste reactie na vind ik mijn bijdrage aan de discussie buitengewoon zakelijk. Ook die laatste reactie behelst in feite niet meer dan een correctie van een mislezing.

Dat die mislezing nogal pijnlijk was voor mijn opponent kan ik ook niet helpen.

RHCdG

Pijnlijk, ja nu zullen we het hebben. En natuurlijk moet ik daar dan weer op in gaan.

Gertje, ik heb *al* je bezwaren punt voor punt weerlegd; je hele betoog ligt hierboven te zieltogen. Mocht je nog ergens op in willen gaan, zakelijk of anderszins, ga je gang.

RHCdG

O ja, ik heb het nog even nagekeken: fragment 46 is in elk geval fout gerefereerd. Welk het wel was weet ik niet want het boek is alweer terug in de bibliotheek, maar 46 in elk geval niet. Zullen we afspreken: als ik de name dropper moet zijn, ben jij dan de fragmenten dropper? Of ben je gewoon een droplul? Want dat kan natuurlijk ook.

Chrétien Breukers

Zeg mensen... vrede. Ja?

Gert de Jager

Fragment 46:

Dat de mening een vallende ziekte is, zei hij, en dat het oog bedriegt.

Heraclitus, Spreuken, vertaald, ingeleid en toegelicht door Cornelis Verhoeven. Baarn 1993. Ambo-klassiek.

In de context van het betoog - Heraclitus is een archetypische wetenschapper - ging het om het tweede gedeelte. Het eerste gedeelte lijkt soms ook wonderwel toepasbaar.

Samuel Vriezen

Zie ook het motto van Vriezen Vindt...

M.H.Benders


Bij RHdGC kun je je nooit aan de indruk ontrekken dat hij vooral gedichten bespreekt om even te demonstreren wat hij allemaal in zijn boekenkast heeft staan. Als je dan even doorvraagt blijkt meestal dat het boek inmiddels net toevallig aan de bibliotheek is geretourneerd, zie boven. Het is mij een raadsel wat die man bezielt, eigenlijk...

RHCdG

Grappig dat je om vrede verzoekt, Chrétien, in de context van iemand die meende dat oorlog de vader is van alle dingen. In elk geval blijken Gert en ik twee verschillende bronnen te gebruiken, en ik zal mijn opmerking terzake dus terugnemen. De door mij gebruikte uitgave is J. Mansfeld, "Aldus sprak Heraclitus", Historische Uitgeverij, Groningen, 2006. Vandaag lukt het niet meer, maar ik zal het nog eens tevoorschijn halen. Wel noteerde ik uit die uitgave fragment 35, op p. 40: "Ogen zijn scherper getuigen dan oren."

Nu we hier toch weer zijn, graag nog één ding. GdJ suggereert dat de rivier een 'doodsrivier' zou kunnen zijn, en ook Micha Hamel wijst erop dat de slavin naar 'de overkant' loopt. Daar had ik natuurlijk uitgebreid op in kunnen gaan, want niets doet het zo goed als het uitmelken van een cliché. Maar een van de aardige dingen van het gedicht vond ik juist dat er nergens staat dat de slavin die overkant ook bereikt. Wel staat er dat ze *weer* aan de oever staat. In een artikel over Deleuze, verschenen in een aan hem gewijd nummer van het tijdschrift 'Filosofie' (jrg. 14, nr. 6, dec/jan 2005/2006) schrijft A. van den Braembussche:

"De filosofie moet de *immanentie* van het leven zelf verhelderen en niet langer in de transcendentie, 'aan gene zijde van' het leven verwijlen, zoals de wijsgerige traditie dit doet! Het is vanuit deze immanentie dat zich de diverse levens- en denkvormen ontwikkelen. Het is dus dankzij de radicale immanentie dat het dwangbuis van homogenisering wordt doorbroken door de Heraklitiaanse (!) onderstroom of grondbeweging van leven en denken. Omdat de verschillen hier van binnenuit komen en bepaald worden door externe factoren, omdat zij beantwoorden aan Bergsons *élan vitale* karakteriseert Deleuze deze grondbeweging als een *interne dynamiek*, een dynamiek dus die de oorzaak in het beschouwde ding zelf heeft."

Hier is in een notendop de kern van mijn hele artikel verwoord. Tegenover de decadentie van de overkant, de doodsrivier en het leven beschouwd vanaf een zijde die men feitelijk niet kan betrekken, staat de vitaliteit van Deleuze, die zijn heil niet zoekt in gene zijde maar probeert de problemen op te lossen waar ze zich voordoen.

Gert de Jager

Met andere woorden: een interpretatie waarbij de vitaliteit van Deleuze in het geding wordt gebracht, is nodig om dit gedicht te redden van de clichématigheid. Fraai is dat.

Overigens staat de slavin nergens in het gedicht 'weer' op de oever. Ze staat in strofe twee 'weer' in de rivier, waadt in strofe drie 'naar de overkant' en staat in de vierde en laatste strofe in de droom van het lyrisch subject 'druipend op de oever'. De implicatie dat ze zich dan ook daadwerkelijk aan de overkant bevindt, is aannemelijker dan dat ze teruggekeerd is naar de oorspronkelijke oever. Te meer omdat het lyrisch subject nu haar gezicht kan zien. Toen ze aan het waden was, kon hij dat namelijk niet.


Adriaan Krabbendam

“Zo is het ook met het gedicht: er is geen geschiedenis of wet die het definieert, vastlegt, vastbindt, ook geen interpretatie,” aldus Rutger H. Cornets de Groot tegen het eind van zijn betoog. Een betoog dat doorstroomt is van projectie, spiegeling, met een betwerige Deleuze als stoorzender op beide schouders en een ginnegappende Schierbeek als een aap op een boomtak. Goddank doen beiden hier niet ter zake. De wijdlopigheid en breedsprakighied wordt pas na enig waden door stromende teksten over andere, veelal eveneens niet ter zake doende zaken beloond. Dat gebeurt pas mondjesmaat in de delen II en III, waarin sporadisch iets over het gedicht zelf te berde wordt gebracht. Ondertussen wordt onder meer Henry Miller e.e.a. in de schoenen geschoven (‘ “en ik zie dat zich achter haar oogkassen een onbetreden wereld uitstrekt, een wereld van toekomstige dingen, en in die wereld ontbreekt elke logica” [dus ook het panta rhei - RdG]’... een regelrechte onzin-interpretatie, die opnieuw niet ter zake doet), en meer van dat.
Toch is het enthousiasme te prijzen, ook al is van enige werkelijke tekstanaylse of interpretatie nauwelijks sprake. Het lijkt, vergeef me het eufemisme, over iets anders te gaan dan het besproken en geloofde gedicht; en misschien – wie zal het zeggen – gaat het er in al zijn onbeholpenheid toch over. Dat zou nobel zijn. Maar dan zou er flink gesnoeid moeten worden.
I sit and watch the river flow.

Adriaan Krabbendam

Ha, "doorstroomt is", zal je net hebben!

Hans Smit

Ik kwam op dit stuk + discussie terecht via de box 'laatste reacties'. Ik schaar me achter Maatman; wat een vreemde discussie hierboven, vol onderhuidse agressie. Het stuk dat de aanleiding vormt gaat me volkomen boven de pet, en ik ben dan ook blij met de reactie van Krabbendam. RHCdG, ik krijg de indruk dat je niet steeds ruzie krijgt omdat je alles beter weet, maar omdat je iedereen die kritiek heeft op je wijdlopige getheoretiseer zo arrogant tegemoet treedt.

Hans Smit

Wacht, ik zeg het verkeerd. Ik bedoel niet: 'arrogant tegemoet treedt', maar 'tegemoet treedt op een manier die arrogant uitgelegd zou kunnen worden'.

Gert de Jager

Beste Hans Smit,

Hoewel je je niet direct tot mij richt, doe je dat wel indirect door je aan te sluiten bij Maatman die noties als volwassenheid introduceert. Daarom nog één reactie en dan zal ik echt mijn mond houden.

Dat de bovenstaande discussie niet altijd aangenaam leesvoer vormt wil ik geloven, maar hij gaat wel ergens over. Hij gaat namelijk over de vraag wat een acceptabele manier is om over poëzie te schrijven en daarmee over de werking en het belang van poëzie zelf. Dat ik grote moeite heb met de redeneertrant van Cornets de Groot zal duidelijk zijn. In mijn ogen gebruikt hij het gedicht van Hans Kloos om een leesverslag te schrijven – niet van het gedicht van Kloos, maar van zijn lectuur van Deleuze. Kloos’ gedicht is niet meer dan een aanleiding. Voor hetzelfde geld had het stuk over een korfbalwedstrijd kunnen gaan.

Nu is dat allemaal niet erg. Korfballen, gedichten lezen, Deleuze lezen, stukken over gedichten schrijven – het zijn allemaal mooie en onschuldige bezigheden. Het probleem is wel dat Cornets de Groot pretenties heeft en dat die pretenties in sommige kringen worden gehonoreerd. Hij wordt door sommigen als een belangrijk en vooraanstaand criticus gezien. Dat betekent dat zijn manier van lezen als exemplarisch wordt beschouwd. Ik deel die visie niet en probeer een alternatieve leeswijze voor te stellen waarbij de consistentie van het gedicht en de concreetheid van de beeldspraak belangrijke maatstaven zijn.

Dat bij alle pogingen tot zakelijkheid in mijn betoog de nodige onderhuidse irritatie te vinden is – ook dat wil ik geloven. Dat ik op een gegeven moment iets te triomfalistisch reageerde – het zal wel. Maar ik heb eerder met Cornets de Groot te maken gehad. Wanneer je met hem debatteert, word je ingesponnen in een onontwarbaar geheel van veronderstellingen en verdachtmakingen. Zo ben ik ooit eens van fascistoïde sympathieën beschuldigd vanwege mijn opvatting over komma’s bij Kopland en dat was niet als grap bedoeld. En wat hierboven allemaal staat – ik heb geen zin om het over te lezen en al helemaal niet om er op te reageren. Maar het is ongetwijfeld waar dat mijn toon minder afgemeten geweest zou zijn, als Cornets de Groot wat meer openstond voor andere opvattingen dan die in zijn eigen hoofd rondspoken en zelf enig fatsoen kon opbrengen in de discussie.

RHCdG

Gisteravond vierde ik de verjaardag van mijn moeder en vandaag had ik weer wat anders te doen; vandaar deze verlate reactie op de laatste bijdragen. Niet dat het enige zin heeft, maar dan heeft men maar wat te lezen in het weekend.

Dat ik een stuk schreef dat niet iedereen zou pruimen wist ik van tevoren, ook al hoopte ik uiteraard dat het anders zou zijn. Natuurlijk vind ik het jammer wanneer het als 'wijdlopig getheoretiseer' (Hans Smit) wordt afgedaan, want theorievorming is wel het laatste waarin ik ben geïnteresseerd; je zou kunnen zeggen dat het stuk voor een goed deel juist uitdrukking geeft aan mijn bezwaren terzake. Daar begint het gesodemieter dus al: onbegrip heeft altijd en overal het laatste woord. Hans geeft zelf toe dat het stuk hem boven de pet gaat, en aangezien dat onmogelijk aan zijn eigen luiheid en desinteresse kan liggen moet het wel om wijdlopig getheoretiseer gaan. Natuurlijk spreekt het ook vanzelf dat Hans niet denkt: goh, ik begrijp het niet, ik zal er maar het zwijgen toe doen - nee, de rancune en het ressentiment komen niet tot bedaren voordat is vastgesteld dat niet Hans Smit lui is en dom en even onbeduidend als zijn naam doet vermoeden; nee, RHCdG is een ruziezoeker, want arrogant. Bovendien is hij onfatsoenlijk, althans volgens Gert de Jager die het kan weten, en ook nog eens niet integer, althans volgens Martijn Benders, die het leuk vindt als ik hem even noem. En dan zwijg ik maar van de dichters met gebutste imago's die langs de kant staan te wachten tot ook zij een steen kunnen gooien.

Waarmee ik maar zeggen wil dat de belangstellende lezer A. Maatman makkelijk roepen heeft. Die krijgt die hysterische meute immers niet over zich heen. Die heeft zich niet ingespannen op een stuk om te zien hoe het vervolgens voor de vereffening van oude rekeningen wordt gebruikt. Die kan het zich permitteren om 'om de inhoud' te verzoeken, als de eerste de beste politicus. Nou goed, ik word alweer wijdlopig, dus snel door voordat Hans Smit afhaakt.

Gert de Jager. Er is geen hond die er zich voor interesseert, maar omdat hij er nu voor de derde keer op terugkomt, en omdat de bewuste opmerking en zijn rancune hem zijn hele kritiek hebben ingegeven - iets waarop ik meteen al heb gewezen - heb ik de passage waarin ik hem van fascistoïde sympathieën zou beschuldigen maar even opgezocht: http://decontrabas.typepad.com/de_contrabas/2006/09/een_enorme_spro.html#comment-22910948 (ik hoop maar dat de link werkt, anders begint Benders daar weer over). Zoals men kan zien is er geen enkele reden om die opmerking persoonlijk op te vatten, tenzij men daar reden voor heeft. De opmerking bedoelde niets anders dan om op een speelse manier te wijzen op de uiterste consequentie van een bepaald denkbeeld. Ik heb eens een heel essay gewijd aan de mogelijk fascistische interpretatie van bepaalde elementen in Lucas Hüsgens poëzie (http://meander.italics.net/artikelen/artikel.php?txt=1752 ) - maar omdat Hüsgen zichzelf kan vertrouwen en aanzienlijk minder kortzichtig is, heb ik daar van hem nooit een kwaad woord over gehoord. Zo niet de academicus Gert de Jager. Feitelijk volgt hij hetzelfde procédé als Hans Smit: men zoekt een verklaring voor het eigen defect in het vermeende falen van de ander, waarbij nog het meest verbazingwekkende is dat men ook voor zichzelf nog geloofwaardig meent te kunnen blijven. Op die manier worden domheid en luiheid een voorwaarde voor het zelfbehoud.

Neem bij voorbeeld het verwijt van "name dropping". Bij de namen die Gert in navolging van mij aanhaalt - Deleuze, Democritus, Nietzsche, Vestdijk, Henry Miller en Lacan - ontbreken er drie, die ik in mijn nietsontziende imponeerdrang óók noem, nl. die van Van Dixhoorn, Achterberg, en... Freud. Hoe moeten we die merkwaardige blinde vlek begrijpen? Heel eenvoudig: Van Dixhoorn en Achterberg zijn de enige dichters in het rijtje (weliswaar met Vestdijk, maar dat is een apart geval) en dus onverdacht. Want alles is goed, als je er maar niets van buiten de literatuur bij haalt. En dus konden die namen verdrongen worden, samen met de man die eveneens verdrongen moet worden om de initiële verdringing niet tot bewustzijn te laten komen.
Men ziet het, dit is nou een voorbeeld van zo'n verdachtmaking waar Gert zich zo aan ergert, en waar ik zo'n intens plezier aan beleef, vooral omdat ik weet dat het waar is wat ik zeg.

Niettemin staan er nog steeds een gedicht en een stuk op het spel, dus laat ik daar nog even op in gaan, anders wordt het weer zo pijnlijk voor me. Gert meent dat de slavin uit het gedicht wel degelijk de overkant van de rivier bereikt. Waarom? Omdat ze in de derde strofe naar de overkant waadt en 'in de vierde en laatste strofe in de droom van het lyrisch subject "druipend op de oever" staat'. Waarom laat Gert hier nu plotseling de spreekwoordelijke weldadige terughoudendheid varen die in zijn kringen zo wordt gewaardeerd? Heel simpel: omdat onze slavin hoe dan ook dood moet - zodat de wetenschap leve! zullen we maar zeggen. En dus gaat hij voorbij aan het feit dat zij 1) *in een droom* op die oever staat, 2) dat het onzeker is aan welk personage het lyrisch subject moet worden toegeschreven, 3) dat het moment dat zij de overkant zou bereiken wordt gemarkeerd door een opmerkelijke typografische ingreep, en 4) dat als zij de overkant bereikt en dus dood is, aan het begin niet "weer" aan de oeverkant kan staan. En met deze interpretatie red ik het gedicht uiteraard niet van clichématigheid, zoals Gert beweert; het gedicht ontwijkt zelf juist het cliché waar hij geen afstand van kan nemen.

Een paar woorden nog over de kritiek van Adriaan Krabbendam, die mij aangenaam heeft verrast door zijn evenwichtigheid, ook al is ze niet overal even goed doordacht. Zoals ik in het begin al zei: niet iedereen zou dit stuk pruimen, onder meer juist omdat ik me niet verplicht heb gevoeld om aan allerlei verwachtingen t.a.v. het genre te voldoen. Het moest een bijzondere aflevering worden, en ik heb daarvoor van Joop Leibbrand, de redacteur van de reeks, ruimhartig de vrije hand gekregen. Ik wilde graag een stuk schrijven dat zou lezen zoals ik zelf graag naar muziek luister, of naar een film kijk, of een in een gedicht, essay of verhaal uitgesponnen gedachte volg: als een avontuur, met hier en daar wat ideeën maar zonder te weten waar ik uit zou komen. Net als de ik-figuur in Awater zocht ik voor dat avontuur een reisgenoot, en meende die in Deleuze te kunnen vinden. EN ja, misschien heeft Gert de Jager met díe ene opmerking een beetje gelijk: dat het me minder om het gedicht ging, dan om de vraag tot welke ideeën het gedicht aanleiding zou kunnen geven - maar wat daar aan mankeert zou ik werkelijk niet weten; komt niet elk gedicht dat iets met ons doet als meditatiesymbool te fungeren?

Voor de rest heb ik het wél als mijn plicht gezien om de dichter in te leiden, wat ik met des te meer plezier deed nu hij zulke opvallende maar niet per se samenhangende eigenschappen deelt met Schierbeek: de reislust, de samenwerking met anderen, de typografische experimenten, het 'anonieme'. En ten slotte heb ik het als mijn plicht gezien om elke stap, hoe onverwacht ook, te verantwoorden. Want mocht ik een 'belangrijk en vooraanstaand criticus' zijn zoals Gert beweert, dan toch niet op grond van enige positie of functie die ik zou bekleden. Ik zit niet in jury's, maak geen deel uit van tijdschriftredacties, en maak überhaupt op geen enkele manier carrière; ik ben allang blij als een tijdschrift me een keer niet overslaat voor een bijdrage. Die kennelijke reputatie kan dus alleen gebaseerd zijn op wat en op hoe ik schrijf. Wat mij betreft sta ik net als Van Ostaijen iedere keer weer aan het begin. Daarom schrijf ik geen dwingende betogen: ik weet immers niet waar ik eindig, en maar nauwelijks waar ik aan begin. Maar er zitten ook niet al te veel hiaten in; ik veronderstel niets wat ik niet waar kan maken. Ik doe geen groter beroep op de lezer dan om zich een beetje in te spannen voor iets waar hij mogelijk plezier aan beleven zal, als hij bereid is op avontuur mee te gaan.

M.H.Benders

"en ook nog eens niet integer, althans volgens Martijn Benders, die het leuk vindt als ik hem even noem."

Niet integer? Nee, niet geloofwaardig. Dat is jouw grote probleem. Je wilt de grote poeziecriticus uithangen, maar laat daarbij regelmatig steken van zulk formaat vallen dat je van jezelf een schertsfiguur hebt weten maken. Want zeg nou zelf: wie kan er een 'poeziecriticus' serieus nemen die online ruiterlijk toegeeft nooit ook maar één Amerikaanse poeziebundel ter hand te hebben genomen. Fijn, en van zo iemand moeten we dan een waardeoordeel over poezie te horen krijgen? Iemand die zelf nauwelijks vergelijkingsmateriaal heeft? Potsierlijk, dat is het. Het druipt van elk postje dat je hier maakt af: hier schrijft iemand die constant poogt zijn eigen hand te overspelen. Het is een goede komedieact, dat wel.

Han Smit

Dus ik ben lui, dom en onbeduidend omdat ik het waag te stellen dat het stuk van RHCdG bestaat uit wijdlopig getheoretiseer, en dat zijn reacties op tegengeluiden arrogant zouden kunnen worden uitgelegd. Nou RHCdG, ik hoop dat je moeder trots op je is.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...