Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« Vloekdoorstreper actief in het Woerdense | Hoofdmenu | I.M. »

21 september 2006

Een enorme sprong voorwaarts

Mark_door_brandende_hoepelMichaël Stoker heeft gesproken. Michaël Stoker? Ja, Michaël Stoker. Waar dan? Bij Risee. Hoezo dan en waarom? Omdat hij de secretaris is van het Poëziecircus en in die hoedanigheid van doen heeft met de landelijke slamkampioenschappen, die van Nijmegen (Wintertuin) naar Utrecht (Poëziecircus) zijn verhuisd. Een kleine stap voor de mensheid, maar een enorme sprong voorwaarts volgens Stoker.

Want als de eminence Risee vraagt: 'In het persbericht wordt nadrukkelijk gesteld dat het fenomeen poetry slam door de verhuizing van Nijmegen naar Utrecht uit de underground wordt gehaald. In de jury nemen "erkende critici" plaats en en vier van de kandidaten zijn of worden gepubliceerd bij een "landelijk erkende uitgever". Zou je, bijvoorbeeld gelet op het (erkende) succes van Tjitske Jansen en Erik Jan Harmens, en de aandacht voor poetry slam van een literatuurwetenschapper als Thomas Vaessens, niet denken dat de poetry slam al enige tijd uit de underground is?'  dan antwoordt Michaël Stokebrand:

'Tja: betekent een verhuizing van Nijmegen naar Utrecht niet te allen tijde het ontstijgen van de underground? Ik bedoel maar. Ik zou willen stellen dat Jansen en Harmens groot zijn geworden ondanks het winnen van poetry slams. Het zogeheten "papieren circuit", de lui voor wie poëzie onlosmakelijk is verbonden met papier, je zou ze ook "de dode bomen-maffia" kunnen noemen, is er bij dit soort poëzie-evenementen nooit bij. Thomas Vaessens heb ik in tien jaar Poëziecircus in Utrecht, nota bene gedurende die hele periode zijn woonplaats, nooit gezien. Voor mij is de lans die Vaessens in zijn meest recente boek breekt voor een serieuze aandacht voor podium- en slampoëzie, dan ook een zeer buigzaam riet. Schrijven over slams en dichtpodia is één ding, ze bezoeken is een tweede. Ergens daartussenin gaat het bij Vaessens en vele van zijn collegae mis.'

Een verhuizing van Nijmegen naar Utrecht is van alles, en in sommige opzichten een opluchting, voor sommige mensen, vermoed ik, maar om nou te zeggen dat (de Wintertuin in) Nijmegen de vertegenwoordiger is van de underground... Dat is zelfs voor een ironische opmerking te kort door de bocht. En zijn opmerkingen over 'papier' en 'dode bomen' en 'een lans' en over 'buigzaam riet' doen ernaar verlangen dat Stoker, in zijn eigen circus, eens door een hoepel, bekleed met brandende boeken, wordt gejaagd – waarna hij verplicht dient te worden eens een dichtbundel te lezen. En achteraf een netjes geformuleerd en correct gespeld leesverslag inleveren, ajb. Tss.

Reacties

Koenraad Goudeseune

Laatst, op dode dichters, zag en hoorde ik Achterberg een vers zeggen, ter opluistering van een grote prijs die hij had gewonnen. Dat zoutwitte haar als met een riek naar achter gekamd, een zegging die prachtig ingetogen was en ook door dat muziekje van Vrienten dat er meteen op volgde was ik erg ontroerd. Zo moet het geloof ik. Anders wordt het opera.

Ton van 't Hof

Ik kon niet door Gerbrandy héén komen - wat een... oudewijfskaak.

F. Papenhove

@ Ton. Ik bedoel zijn poëzie niet, maar het bovengenoemde boek van Gerbrandy. Het is wat schoolmeesterachtig, maar ook prachtig, zowel qua schrijfstijl als qua inhoud.

Rutger H. Cornets de Groot

Xavier,
Er heeft in de geschiedenis van de voordrachtskunst een omslag plaatsgevonden die, hoe logisch en begrijpelijk ook, wellicht iets tegennatuurlijks heeft. Poëzie, en muziek trouwens ook, kunnen het heel goed zonder het schrift stellen, en beide zijn ook onafhankelijk van het schrift, want vóór de uitvinding ervan, ontstaan. Het schrift legde dus vast wat hoorbaar werd gemaakt. Nu is het omgekeerde het geval: op het podium wordt hoorbaar gemaakt wat eerst op schrift is gesteld. Ik begrijp de uitdaging natuurlijk wel voor voordrachtskunstenaars die eer leggen in hun métier, en allicht zou je met het gedicht van Oosterhoff aardige resultaten kunnen bereiken, maar ik geloof niet dat het de opdracht is van de voordrachtskunst om van alle geschreven gedichten adequate hoorbare equivalenten te geven, zoals het eens wel de opdracht van het schrift was om het omgekeerde te doen.

Alexis,
Het schrift heeft kenmerken die niet in de voordracht tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Ik noemde het enjambement, en ik geloof niet dat die door pauzes in de voordracht moet worden weergegeven: dan doe je nl. weer de syntactische eenheid, die er juist ook is, weer te kort. Natuurlijk hoort er een pauze te vallen na een strofe, maar wat doe je als een enjambement zich tussen twee strofen ophoudt? Dan hoor je door te lezen. Korter en stelliger geformuleerd: het wit in het gedicht kan niet hoorbaar worden gemaakt.

Over het ontstaan van het vrije vers: ik bedoelde niet te zeggen dat voordrachtspoëzie tot vrije verzen leidt. Het is eerder de typografie geweest die daar de hand in heeft gehad; daardoor werd immers de klank naar het tweede plan verdreven. Maar als ritme en klank geen rol meer spelen, zal het in het vrije vers om andere zaken gaan, en dan blijft allicht alleen de ongestoorde ontwikkeling van een idee, gedachte of verhaal over. Daarbij gedraagt het wit zich alsof het er niet is - terwijl dat toch wel degelijk het geval is. Neem ‘Jonge sla’ van Kopland: daarin wordt in de eerste strofe in alle rust een gedachte voorbereid, die in de tweede strofe wordt uitgedrukt. Het is waar dat het gedicht als prozatekst aan effect zou inboeten, - maar dat komt niet door de fysieke eigenschappen van het wit. Het wit functioneert in dit gedicht alleen bij wijze van leesinstructie, om pauzes in te lassen. Om die nog duidelijker uit te laten komen worden bij elkaar horende woordgroepen in vrije verzen - en ‘Jonge sla’ is daar geen uitzondering op - ook vaak door leestekens van elkaar gescheiden, een hulpmiddel waar in gebonden verzen, waarin immers het metrum het ritme bepaalt, minder noodzaak voor is. De pauzes in Koplands gedicht hebben dan ook geen ritmische, muzikale achtergrond, maar zijn in de meest letterlijke zin veelbetekenend. Het wit is er niet fysioplastisch, maar ideoplastisch, - wat er fysiek aan is, is om zo te zeggen even slap als de vochtige bedjes van zijn sla. Het vrije vers is dan ook bij uitstek geschikt voor een zekere stemverheffing, een ontlading van emoties, de demonstratie van verheven gedachten, voor een zich richten tot een groot publiek.
Ik geloof dus niet dat de dominatie van het vrije vers in slampoëzie een afspiegeling is van de situatie op papier, en dat is tragisch genoeg; je zou verwachten dat rijm en ritme juist op het podium hun oude rechten zouden hernemen. Het zou behalve voor de sociale status van slampoëzie ook voor de kwaliteit van de poëzie als geheel een goede zaak zijn wanneer de voordrachtkunst zich van het papier emancipeert en het primaat weer bij zichzelf teruglegt.

Dat neemt niet weg dat geschreven poëzie altijd hoger in aanzien zal blijven staan. Als Jeroen er nog was geweest, had hij nu allicht wat zinnigs kunnen zeggen over Derrida's deconstructie van de verhouding tussen schrijven en spreken, de met de mond beleden priviligiëring van de eerste en de feitelijke dominantie van de tweede.

Rutger H. Cornets de Groot

Fout in de laatste alinea: de met de mond beleden priviligiëring van de tweede en de feitelijke dominantie van de eerste.

Xavier Roelens

Dag Rutger,

Ik ga akkoord met wat je op het einde schrijft, dat papier een feitelijke dominantie heeft - met erbij de bedenking dat nu er sinds de 20e eeuw ook de mogelijkheid bestaat om een gedicht op auditieve wijze te bewaren, die feitelijke dominantie niet meer zo hegemonistisch zal zijn in de toekomst als ze in het verleden was. Maar ook dan kan ik redenen bedenken waarom papier (of een andere leesbare versie, ontdaan van de persoonlijke intonaties, pauzes, klemtonen, enz.) in zijn onpersoonlijkheid en in zijn spel met de leeservaring troeven blijft hebben die een opname van een voordracht niet heeft.

Als ik ooit dat gedicht van Oosterhoff op podium breng, dan is dat uit plezier van het voordragen en om iets terug te geven aan een gedicht dat me dierbaar is. Dat hoeft geen algemene opdracht aan de voordracht te worden.
Omgekeerd heb ik gedichten die, zoals ik ze op een podium breng, niet op papier bestaan en ook niet in die vorm hoeven te bestaan op papier. Maar dat er voor 99,9% een primaat van de geschreven versie is, daar wil ik je wel helemaal in volgen. Ook ik schrijf eerst en daag mezelf dan uit om dat gedicht ook boeiend voor te dragen. Om dat nu tegennatuurlijk te noemen, lijkt me wat gechargeerd, maar dat het inderdaad anders is dan pakweg 3-4000 jaar geleden, dat is goed opgemerkt.

x

ps: Er is zeker ritme en ook wel rijm in slams te vinden, maar ik vermoed dat een van de redenen waarom het er niet overdreven veel is, is omdat een slamsessie maar rond de 3-5 minuten draait. Dat is heel wat anders dan die troubadours die voor minstens anderhalf uur doorgingen met hun verhalende gedichten. Dan worden bepaalde mnemotechnische trukjes weer een stuk belangrijker. De enige slammer die ik dat vandaag zo lang uit het hoofd zie doen, is Gijs Ter Haar. Hij schrijft hoofdzakelijk sonnetten en rijm is uiterst centraal in zijn werk.

pps: Hoe was het gisteren in Perdu?

Rutger H. Cornets de Groot

Hoi Xavier,

Bedankt weer voor je reactie. Ik laat het er nu maar bij; in de een dezer dagen te verschijnen Bunker Hill ga ik er nog wat verder op door; voor wat ik zojuist zei heb ik alvast wat uit dat artikel gebruikt.

Moeilijk voor mij te zeggen hoe het gisteravond ging; de avond begon met het slechte nieuws. Verder vond ik het leuk om te doen en Edwin Fagel een aardige, bedeesde, maar ook geïnteresseerde jongen. Misschien wil Catharina wel vertellen wat ze er verder van vond?

Catharina Blaauwendraad

Wat ik er verder van vond… Samuel opende de avond met, voor degenen die het nog niet wisten, het bericht over Jeroen Mettes*. Dat hij er niet meer was. En dan ga je zo zitten bedenken dat hij er dus ook nooit meer zal zijn. Ik geloof dat ik me toen wat minder kon concentreren.

Ik denk niet dat ik de avond inhoudelijk zou moeten becommentariëren. Ik ken het werk van Van Bastelaere op z’n zachtst gezegd niet zo goed. Heb het idee dat ik nog veel zal moeten lezen voor ik aan hem toe ben.

Ik vond het wel mooi dat de drie voordrachten totaal uiteenlopend in stijl en aanpak waren, en de benaderingen elk op hun eigen manier integer.

* Mijn spellingscorrector vraagt me nu of ik “Mettes” wil negeren.

Alexis de R

Rutger, dank voor je toelichting. Ik ga het nog eens even rustig bestuderen en overpeinzen.

Gert de Jager

Beste Rutger,

Voorzover ik het onderscheid tussen fysioplastisch en ideoplastisch begrijp, ben ik het niet eens met de consequenties die je eraan verbindt. 'Jonge sla' is een mooi voorbeeld. Het laat volgens mij zien hoe een gedicht als het ware geboetseerd wordt in het wit. Het steeds verder uitlopen van de versregels in de eerste vier regels van de eerste strofe om vervolgens naar minder dan de beginlengte terug te gaan, een soort contrapuntisch gebruik van komma's, een slotstrofe die omdat hij korter is aanduidt dat er iets als een conclusie komt (zoals bij het sextet in het sonnet) - het wit was misschien niet de kiemcel van 'Jonge sla', maar het geeft vorm aan de vorm als je begrijpt wat ik bedoel.
Kopland staat met dergelijke procédés niet alleen. Sinds de opkomst van het sonnet kan er, denk ik, een onderscheid gemaakt kan worden tussen dichters bij wie klankpatronen voorop staan en dichters die zich bij het schrijven laten leiden door visuele patronen. Het zou me niet verbazen als veel poeticale discussies en verketteringen op een dergelijk onderscheid teruggevoerd worden - ook binnen wat hierboven 'papieren poëzie' genoemd is.


Rutger H. Cornets de Groot

JONGE SLA

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.


Beste Gert,

Leuk dat je nog zoveel weet te waarderen in deze evergreen, - eigenlijk niet veel meer dan een sympathiek niemendalletje dat de laatste jaren misschien teveel te verduren heeft gehad. Toch kan ik je waardering van de visuele vorm van de eerste strofe niet delen, omdat ik niet zie hoe die vorm functioneert in het gedicht: als je die vorm waardeert, waardeer je hem op zichzelf en niet in verband met de uitgedrukte gedachte; het is niet 'iconisch' zoals het heet.

Wél iconisch is het enjambement na 'hoekje' in de derde regel. De aardappelen worden gerooid, gaan het hoekje om, net als die derde regel. Toch is het ook weer geen echt enjambement, want die regel, zoals ook de 4e en 5e, kunnen niet zelfstandig worden gelezen, en daarin toont het gedicht zich een echt vrij vers.

Wat ik wel aardig vind aan het gedicht - dat ik eigenlijk alleen aanhaalde om een bekend voorbeeld te kunnen geven - is dat het weliswaar een vrij vers is, maar toch zijn stem niet verheft zoals ik zei, niet geëxalteerd is; het geeft eerder juist uitdrukking aan een zekere terughoudendheid en geweldloosheid. Maar misschien om ook die indruk weer te relativeren liet Kopland het in de bundel 'Het orgeltje van yesterday' voorafgaan door

EEN MOEDER

loopt langzaam naar haar kind om
het niet te laten schrikken,
pakt het voorzichtig op om
het niet te beschadigen,
slaat dan keihard.

Het pleit voor Komrij dat hij de samenhang tussen beide gedichten in zijn bloemlezing niet verstoord heeft.

Gert de Jager

Beste Rutger,

Dat vormkenmerken iconisch zouden moeten werken, getuigt van een poëticale ideologie die ik niet deel. Het is een van de redenen waarom ik nogal een hekel heb aan dat boek van Bronzwaer dat jij laatst op een rommelmarkt vond. Het is voor Bronzwaer het ultieme geloofsartikel.
Vorm kan muzikaal werken, de lezer in een tranceachtige toestand brengen enz. Visuele vorm kan op zichzelf een esthetisch genoegen veroorzaken: het sonnet bezorgt de lezer qualitate qua de ervaring van harmonie. Een dichter als e.e. cummings heeft op alle mogelijke manieren met de mogelijkheden van het wit gespeeld - en dat niet omdat hij zo nodig 'betekenis' moest overbrengen. Kees Ouwens is bij ons de grootmeester van het wit. De mogelijkheden van het wit heeft hij tot op de grens van wat nog een gedicht kon zijn verkend.

Rutger H. Cornets de Groot

Gert,

Kun je ook zeggen waarom je die poëticale ideologie niet deelt?

Gert de Jager

Beste Rutger,

Omdat poëzie zoveel méér is dan een procédé. Omdat vormgeving, een orde bevechten op de chaos, zoveel meer inhoudt dan een verzuchting van diepzinnigheid bij een enjambement.

Chrétien Breukers

Maar zonder procédé geen poëzie. Daar mogen zelfs de enjambementen aan meedoen.

Rutger H. Cornets de Groot

Beste Gert,

Maar 't is toch wel zo aardig als die op de chaos bevochten orde zich ook weet te legitimeren, vind je niet? Of is orde iets wat er gewoon moet zijn - of hoe zeg je dat ook weer in het Duits?

Gert de Jager

@ Chretien: Daar heb je natuurlijk gelijk in. Waar ik bezwaar tegen maak is tegen het idee dat met het fenomeen van de iconiciteit het wezen van de poëzie betrapt zou zijn. Een pretentie die het boek met de lieflijke titel "Lessen in lyriek" helaas heeft.
@ Rutger: Erg flauw, dat Duits. Ik had wat ik bedoel ook kunnen omschrijven als een ladder in de leegte. Zo'n ladder betekent geen ladder, zo'n ladder is een ladder. In poëzie is vorm zijn eigen legitimatie.

Rutger H. Cornets de Groot

Gert,
Maar die ladder die geen ladder betekent maar een ladder is, is daarom nog niet autonoom. Hij verbindt twee gebieden. De leegte is geen uitdrukking van gebrek aan inhoud, legitimering of iconiciteit, maar van een bewegelijke hiërarchie - niet tussen chaos en orde, maar, om de schrijver van het boek dat je aanhaalt trouw te blijven, tussen chaos en volheid. Vorm als op zichzelf te waarderen waarde heeft iets tirannieks: het brengt geen verband aan - zoals iconiciteit dat doet tussen inhoud en vorm - het wijst geen weg, maar is zelf de weg. Ja, en wie zei dat nu weer.

Voor wie zich afvraagt wat dit nog met slampoëzie te maken heeft: alles. Ook dit is een ladder in de leegte.

Gert de Jager

Rutger,

In het werk van de dichters die ik hoogschat stond in elk gedicht iets als de eigen existentie op het spel. Lucebert, Ouwens, Celan, Hanlo - elk gedicht is een gevecht om een vorm te vinden, een orde te scheppen binnen iets wat anders onhanteerbaar en onuitspreekbaar is: een volheid misschien wel, of het verlies daarvan. Wat tiranniek zou zijn aan een hoogstpersoonlijke orde (met een onbepaald lidwoord) binnen het domein van het esthetische ontgaat mij. Wat ik, omdat die vorm zo essentieel is, spannend vind om te ontdekken is hoe het ordenen bij een individuele dichter in zijn werk gaat - zelfs bij een 'evergreen' (mooi iconisch woord in dit verband) als "Jonge sla".
Wat mij evenzeer ontgaat, is een exclusiviteitsrelatie tussen iconiciteit en volheid. Een procédé dat berust op iconiciteit kan suggestief werken. Maar wat dacht je - als het om volheid gaat - van metonymia's? Van de fysieke werking van versritmes? Van de ervaring van harmonie of disharmonie die een visuele vorm te weeg kan brengen?

Alexis de R

Ha Rutgers, hoewel de zaken die je aanstipt waarschijnlijk relevant zijn voor poezie in het algemeen, dus ook voor poezie die op podia te horen is, denk ik inderdaad niet dat ze relevant zijn voor de voordracht als medium. Ik geloof persoonlijk niet in de autonomie van gedichten. Een gedicht gaat altijd een verbinding aan met een lezer. En een poetica kan mi nooit tiranniek zijn, omdat een gedicht onmogelijk kan dwingen. Zeker niet op papier. Slampoezie bestaat trouwens niet...
tenzij je bv de poezie van Astrid Lampe (uitstekende voordracht, zou het goed doen in Festina Lente) en Quirien van Haelen onder 1 noemer zou willen scharen.

Chrétien Breukers

Slampoëzie bestaat niet? Maar... dan zijn al die slams die worden gehouden gewijd aan iets... dat niet bestaat? Mooi. Dat scheelt weer een hoop begripsverwarring. Wel sneu voor Sven Ariaans. Die bestaat gewoon helemaal niet meer. Hopelijk weten de... slammers het al.

Alexis de R

Ik bedoel maar te zeggen dat slampoezie geen genre is waar je een gemeenschappelijke poetica uit kunt peuren. Tenzij Sven in zijn eentje een genre is. Ik ken nl niemand anders die specifiek voor de slam schrijft. Slams zijn gewijd aan poezie en voordracht...met een wedstrijdelementje om het spannender te maken voor het volk.

Catharina Blaauwendraad

Geen poëtica maar wel een jury. Een soort externe poëtica dus?

Rutger H. Cornets de Groot

Gert,

Ik had gisteren geen gelegenheid om te reageren, maar heb van de nood een deugd gemaakt en je artikel op neerlandistiek.nl over interteksten bij Lucebert gelezen ( http://www.neerlandistiek.nl/01.07/ ). Ik begrijp nu beter waarop je afkeer tegen iconiciteit berust: op een voorliefde nl. voor de vorm als zodanig, en op de vrees dat die uit elkaar getrokken zou worden wanneer hij, om Lucebert maar eens te citeren, met zijn tentakels in de taal geraakt - waarbij ik onder 'taal' dan die intertekst versta, in dit geval dus Rilke, de kabbala, Lilith en alles wat verder bij Lucebert meespeelt. Je bent daarbij even terughoudend als Thomas Vaessens in zijn boekje ‘De verstoorde lezer’, alleen om een andere reden. Hij wantrouwt sluitende interpretaties - ‘dit is Rilke, dit is Lilith’, etc. - omdat die voor hem de dood in de pot zijn; liever houdt hij de mogelijkheden open. Doordat jij je nagenoeg beperkt tot de vormaspecten van het gedicht ben je in je interpretatie op het stuk van de intertekstualiteit wel even terughoudend, maar daardoor lever je wel een sluitende interpretatie af: tot hier en niet verder - het tegendeel dus van wat Vaessens doet en beoogt.
In het artikel wijs je erop dat Lucebert als ‘visionair dichter’ eerder vanuit ‘beelden’ zou dichten dan vanuit literaire, mythologische of andere bronnen. Ik vraag me af of dat zo is. Lucebert haalde het materiaal voor zijn gedichten niet zelden uit het woordenboek, vaak zelfs uit een enkele pagina van Van Dale. Dat willekeurige materiaal kan alleen drager van een gedachte zijn, wanneer er iets is dat die disparate bronnen met elkaar verbindt. Dat hoeft dus geen mythologie te zijn of andere ‘diepzinnigheid’, maar een intertekst is er dan toch wel degelijk, en het is dan zinvoller om daarop te wijzen dan alleen op de klank of de vorm. Het gaat tenslotte, ook bij een moeilijke dichter als Lucebert, om overdraagbaarheid; hij is er de man niet naar om in de woestijn tot oproer op te roepen. Beelden, zo uit het onderbewuste opgeweld, zijn doorgaans moeilijk overdraagbaar, tenzij voor een psycholoog als Jung, maar die beroept zich dan ook op mythologie. Mythen brengen immers ook weer een verbinding tot stand, nl. tussen het particuliere en het algemene, waaraan schrijver en lezer beiden gelijkelijk deelhebben.

Bij een dichter die een ‘vent’ is - niet per se een kerel uit een stuk, maar iemand die de som is van zijn ervaringen en die de ambivalenties waar hij uit bestaat weet te integreren - kom je altijd en overal dezelfde motieven tegen. Juist uit het voorbeeld van Leda en de zwaan dat je zelf geeft, kun je leren dat goden in verschillende gestalten op kunnen duiken: Zeus in de gestalte van een zwaan, en Lilith dus niet alleen als zeedemon die zich van jou daarom niet in zoetwater mag ophouden, maar ook als rivier, slang en noem maar op. Je kunt je weliswaar aan de ‘tekst’ houden volgens het voorschrift van de close reading, maar door die te reduceren tot het handzame van wat je op dat moment aan het lezen bent, pleeg je een eigenmachtige en willekeurige ingreep: de tekst wordt van zijn geschiedenis afgesneden, alsof hij door spontane generatie tot stand is gekomen. De pretentie van objectiviteit, terughoudendheid, wetenschappelijkheid die daaruit wordt opgetrokken is niet zelden de rationalisering van een vooroordeel, en een alibi om het jezelf gemakkelijk te maken.

Wat ten slotte de relatie tussen volheid en iconiciteit betreft: hoe zouden metonymia anders kunnen worden begrepen dan als uitdrukking van het feit dat alles in de wereld - zoals je weet is alles in de wereld - met elkaar in verband staat, het ene met het naastbij gelegene, het deel met het geheel, enz.? Daar heb je, anders dan metaforen, niet eens verbeeldingskracht bij nodig; je ziet het zo voor je! En waar zou de fysieke werking van versritmes, vooral bij een dichter als Lucebert die daar zo buitengewoon veel zorg aan besteedde, anders uitdrukking aan willen geven dan aan het belang van het lichamelijke karakter van zijn taal - de materiële kwaliteiten, het fysioplastische, veel meer dan de beeldende, visionaire of ideoplastische? Idem, ten slotte voor de visuele vorm: daar staat hij, die kerel uit één stuk, hoezeer ook geïroniseerd, in zijn ‘sonnet’. Hij staat daar niet voor de lol, en zeker niet voor die van estheten, die menen dat als je maar blijft poetsen de wereld haar glans wel weer terugkrijgt. Daarom: had je eerder het woord ‘hoogstpersoonlijk’ voor ‘orde' geplaatst, dan had ik je mijn Duits vanzelfsprekend bespaard.

En hiermee hoop ik het bij deze iconische ladder in de leegte - hoever moet je niet terugscrollen om te zien waar het om is begonnen - te kunnen laten.

Gert de Jager

Beste Rutger,

Een metonymia vertegenwoordigt geen deel, maar is een deel. Het lichamelijke van een gedicht is voor mij niet de uidrukking van (een opvatting over) het lichamelijke, maar het lichamelijke zelf. Een tranceachtige toestand drukt geen tranceachtige toestand uit, maar is de tranceachtige toestand zelf.

Zum wohl!

Rutger H. Cornets de Groot

Gert,
Ik heb het even overwogen, maar ik kan deze kennelijke ontkrachting toch niet laten passeren. Zoveel praktische, nuchtere letterlijkheid, om tav Luceberts methode plotseling te besluiten tot 'visionaire verbeeldingskracht' en zelfs tot 'opportunisme'. Het gebrek aan verklaringsgrond dat ontstaat door aan vormen categorisch elke functie te ontzeggen, leidt op die manier vanzelf tot de invoering van een ruimte die Lucebert even categorisch als een illusie van de hand heeft gewezen. Zo wordt er, hetzij uit verlegenheid, hetzij terwille van een verborgen agenda, van de dichter van lichamelijke taal op zogenaamd praktische en nuchtere gronden alsnog een mysticus gefabriceerd. Daar drink ik niet op.

Gert de Jager

Rutger,

Jammer dat je in je wijze van argumenteren je opponent steeds verborgen motieven toekent. Nu verlegenheid en een agenda, eerder een alibi en daarvoor nog iets Duits. Je probeert wel heel erg om je wereldbeeld sluitend te krijgen.

Om nog één keer, en nu echt voor de laatste maal, duidelijk te maken wat ik bedoel. Ik dacht het Rodenko was die het gedicht ooit eens heeft gekarakteriseerd als een 'oer-sprong'. In mijn visie beeldt het gedicht die sprong niet af, betekent het die sprong niet, maar is het die sprong zelf. Vandaar dat ik zo geïnteresseerd ben in alles wat er fysiek is aan een gedicht. In de mogelijkheid van dat fysieke schuilt voor een dichter, en voor mij als lezer, een existentieel belang. Onder meer.

Gert de Jager

Een keer 'om' te veel. Dat krijg je van die mystiek.

Rutger H. Cornets de Groot

Gert,

Ik begrijp natuurlijk dat je die verborgen motieven niet van de hand wijst omdat je eigen persoon daarbij in het geding is - dat is die bij close readers nooit - maar omwille van de zaak zelf die je verdedigt. Heel goed.

Alexis de R

@ Catherina, had je antwoord tijdje terug niet gezien. Aardig grapje maar eh, een poetica is toch descriptief, niet prescriptief. Ik hoop dat elke dichter zijn eigen poetica heeft, bewust dan wel onbewust. Dwz de dichter legt die hoogstens zichzelf op en niet aan andere dichters? En kan ook nog van bundel tot bundel verschuiven etc.
Kijk , een jurylid zal deels vanuit eigen poetica oordelen, maar een goed jurylid kan ook kwaliteit en non-kwaliteit onderscheiden in kunst die hij zelf nooit zou maken.

De reacties op dit bericht zijn afgesloten.

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...