'Uit een enquête onder Nederlandse dichters blijkt dat de meesten van hen weleens een gedicht in opdracht schrijven. De dichter is in deze tijd een kleine ondernemer,' schrijft Ron Rijghard vandaag in de NRC. Van de 52 dichters die aan de enquête meewerkten, blijken er 42 ooit één of meerdere gedichten in opdracht te hebben geschreven. 5 van hen geven aan meer dan 20 opdrachten per jaar te verwerken. Geld en naamsbekendheid worden als voorname redenen voor het aannemen van een opdracht naar voren gebracht. Overheden, bedrijven en particulieren betalen gerenommeerde dichters doorgaans bedragen tussen de 500 en 2000 euro.
Niet iedere geënquêteerde dichter is echter gecharmeerd van het ondernemerschap. Concessies doen aan de vrijheid of de deugd lijken daarbij de grootste struikelblokken. 'De Muzen zijn geen hoeren, maar godinnen,' roept Piet Gerbrandy in dit verband. Marije Langelaar formuleert haar bezwaren zo: 'Tot dusver leidt een gedicht in opdrachtsituatie alleen tot conflicten met mijzelf. [...] Ik doe het niet, vind het afgrijselijk. Ik ben juist kunstenaar en dichter geworden (en niet illustrator en journalist) omdat ik houd van een overrompelende vrijheid. Ik wantrouw regels en beperkingen. Word daar opstandig van. Ik wil het graag zuiver en oorspronkelijk houden.
Maar de meesten zijn enthousiast 'over de mogelijkheden en de kansen die werk in opdracht biedt'. 'Het toont aan dat de poëzie nog steeds gezien wordt als iets 'hogers', iets waar status mee te verkrijgen is,' zegt Esther Jansma, 'en ik ben er absoluut van overtuigd dat gedichten in opdracht van derden even goed, uniek enzovoort kunnen zijn als gedichten die een dichter schrijft in opdracht van alleen zichzelf. De aanleiding van een gedicht is voor mij het aller-oninteressantste aspect van een gedicht.' Volgens Paul Gellings zou opdrachtwerk de dichtkunst en dichter juist 'uit zijn ivoren toren halen' en is het 'een prachtige manier om een groter publiek met poëzie in contact te brengen'. En Ingmar Heytze gelooft eerder in het omgekeerde: 'het brengt een zeker maatschappelijk leven in de poëzie'.
Zoveel dichters zoveel meningen. Maar toch. Concessies doen, het (gedeeltelijk) toegeven aan de eisen der tegenpartij, lijkt me bij het aanvaarden van een opdracht en de daaropvolgende financiële afdoening niet altijd te vermijden. Concessies hoeven het gedicht niet te schaden. Nee. Ik kan me ook voorstellen dat sommigen, zoals in het artikel van Rijghard ook naar voren komt, in het keurslijf juist een 'uitdaging' zien. Maar toch...
Laatste reacties