Colofon

Dit is weblog De Contrabas. Begonnen op 21 augustus 2005 door Ton van ’t Hof en Chrétien Breukers. Laatste bericht zal worden geplaatst op 21 augustus 2015, of ergens rond die datum. De weblog zal blijven bestaan, om de rijke archieven niet aan de digitale vergetelheid prijs te hoeven geven.

De redactie was in handen van Chrétien Breukers. De reactiemogelijkheid is gesloten, omdat de website niet ten prooi wil vallen aan eindeloze reeksen spam of aan reacties van notoire internettrollen. Mailen over de website kan aan decontrabas[at]hotmail.com

De boeken van Uitgeverij De Contrabas worden geleverd via Liverse, via CB of direct via Liverse. Eind augustus gaat de nieuwe website van uitgeverij De Contrabas, met bestelinformatie, online.

augustus 2015

ma di wo do vr za zo
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

« december 2005 | Hoofdmenu | februari 2006 »

januari 2006

31 januari 2006

Interview met Onno Kosters

Onno_72dpiOnno Kosters (1962) is dichter, doelverdediger en werkzaam als docent, tekstschrijver en vertaler van onder andere Wallace Stevens, Samuel Beckett, Edmund White en Nelson Mandela. Hij promoveerde in 1999 op het rusteloze einde in het werk van James Joyce. Kosters publiceert in diverse tijdschriften, zoals De Brakke Hond, Dietsche Warande en Belfort, Parmentier en de Revisor. Zijn dichtbundel Callahan en andere gedaanten verscheen in 2004 bij Uitgeverij Contact en hij bereidt op het moment zijn nieuwe bundel De grote verdwijntruc voor. Meer informatie: www.doelverdediger.nl

1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?

Met 'De man in de muur', uit mijn bundel ‘Callahan en andere gedaanten’. Beetje lang (7x7 strofen) om hier helemaal te citeren, daarom hier alleen de derde 7:

Het nieuws wordt verpakt in de vis van morgen.

Lezen wij de ingewanden van het wezen dat hapt

naar lucht, dat spartelt. In het water op het droge.

Hoofdpersonen rennen aan de inktzwarte plas voor-


bij. De man in de muur, only in it for the money,

metselt zich in, wordt dan wat ik al van hem maakte.

Schepsel van mijn kop en been van mijn merg,

kloppend orgaan van deze ontzette inwendige mens.


Als voorbereid op mijlen onder zee verdwijnt

een laatste rechthoek luchtblauw licht. Zuinig

met zuurstof! Luidt nu het devies, de noodklok

in de verte. Hij zet zich op het onontslapen bed


in die totaal zwarte kamer, die huivering wekt. Men

hoort nog het tikken in het witsel, lijkenwindsel,

maar men zoekt er niets achter, ja pa ging een pakje

sigaretten halen, plakte een geeltje op zijn monitor,


‘Ben even weg, tot later’, was getekend, ‘Godot’.

Humor, dus wordt de tafel gedekt, de pasta gekookt,

worden glazen gevuld en ligt op zijn plek keurig een

placemat. Zijn stoel staat comfortabel klaar, Eliah! Eliah!


Ze hebben geen idee wat ze doen, zijn geliefdste gezin,

ze missen alleen de vaas, zien nog niet de bloemen

in de tuin, nat nog, slap al, oogverblindend, het zwart

in de bloeiwijze besloten, als een bedoelde barst.


Hij hoort het getik van het bestek, maakt zijn eigen op.

Hij ruikt de pasta, de kruiden, het wijnrode zoet.

Hij schikt zich voorbeeldig, legt zijn oor te luisteren, daar

aan de andere kant van de muur, waar het koud wordt.

Dit is mijn poëzie: de wereld biedt een aanleiding (in dit geval een bericht over een Italiaan, Nemo Cianelli, die zichzelf, begin jaren vijftig, nadat er een ongeneeslijke ziekte bij hem was geconstateerd, in zijn eigen huis achter een muur inmetselde, met medeneming van een jachtgeweer en een fles wijn, een briefje op tafel achterlatend dat hij naar Amerika was vertrokken om een betere toekomst te vinden, en wiens resten daar veertig jaar later, toen het huis waar zijn vrouw en kinderen allang niet meer woonden door een Amerikaanse pensionado werd verbouwd, werden aangetroffen; in andere gevallen bijvoorbeeld de 'Dirty Harry'-films van Clint Eastwood, het keepersbestaan van Khalid Sinouh, een treinreis), die ik gebruik, misbruik, om een verhaal te vertellen dat zich loszingt van de aanleiding, een eigen weg inslaat, zich over mijn eigen bestaan schrijft: waar ik, of een ik dat op mij lijkt, uiteindelijk mee samen val, of valt. Poëzie als reis, reis met omwegen, reis van echo's (hier onder anderen Beckett, Verne, Homerus, Kouwenaar), reis door de suggestie, door de taal; reis in taal.

2. Waarom poëzie?

Poëzie is voor mij blijkbaar het transportmiddel dat zich het beste leent om die reis te maken.

3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?

Beckett, Homerus, Ovidius, Kouwenaar, Vaandrager. Ook: Laurie Anderson en Jotie T' Hooft. Weldon Kees, Simon Armitage. En - nee. Iedere dichter om verschillende redenen. Het compacte en intellectuele, intertekstuele van Beckett, de verhalen van Ovidius, de omvangrijkheid en onontkoombaarheid van Homerus, het geslotene van Kouwenaar dat wanneer je eenmaal 'binnen' bent zoveel vergezichten biedt, het suggestieve van Vaandrager. Laurie Anderson: de humor, het epische, de muziek. De duisternis van Jotie T' Hooft, maar ook zijn lyriek en humor. Weldon Kees, Simon Armitage, de zoeker, de vinder. Achterberg. Zie onder.

4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?

'Ballade van de gasfitter' van Gerrit Achterberg. Beetje lang (veertien sonnetten) om helemaal te citeren, daarom hier alleen het dertiende:

Na jaar en dag hervinden wij de fitter
in 't ouwemannenhuis. Zijn haar is wit;
een kindse vent, die in een stratengids
namen te spellen zit, letter voor letter.

Tafel en bed heeft hij te delen met
postbode, wisselloper en loodgieter.
Hij krijgt gedurig op z'n sodemieter
omdat hij altijd op het eten vit.

Er is tot aan zijn dood voor hem gezorgd.
Begrafenis- en ziekegelden lonen
de moeite om weldadigheid te tonen
en maken dat de vader hem niet worgt.
Publieke werken gaf hem onderdak.
Hij mag beschikken over pruimtabak.

Dichter des Stadsdeels-nieuws

Adriaan Jaeggi is onlangs benoemd – waarom, waartoe? – tot Dichter des Stadsdeels-centrum van het altijd wat suffe Amsterdam. Dit leverde F. Starik, die genoeg in de frisse buitenlucht vertoeft en daarom een geest heeft, die alle kanten uitwaait, een fijne ingeving op: 'Het lijkt me een grappig idee als stadsdeel Westerpark in ons geliefde Amsterdam zijn eigen stadsdeeldichter krijgt.' Want als het centrum voorgaat, kan de rest van de stad niet achterblijven. Allen dus naar Stariks weblog, ter kopiëring van de campagnemail. Sympathiek trekje in deze: Starik noemt meerdere kandidaten, daar waar Jaeggi, etc. etc.

Mini-interview met Onno Kosters in de Grote Zaal

Onno_72dpiOnno Kosters (1962) is dichter, doelverdediger en werkzaam als docent, tekstschrijver en vertaler van onder andere Wallace Stevens, Samuel Beckett, Edmund White en Nelson Mandela. Hij promoveerde in 1999 op het rusteloze einde in het werk van James Joyce. Kosters publiceert in diverse tijdschriften, zoals De Brakke Hond, Dietsche Warande en Belfort, Parmentier en de Revisor. Zijn dichtbundel Callahan en andere gedaanten verscheen in 2004 bij Uitgeverij Contact en hij bereidt op het moment zijn nieuwe bundel De grote verdwijntruc voor. Meer informatie: www.doelverdediger.nl

Lees verder >>

30 januari 2006

Eerste Contrabas-boek gepresenteerd in Maastricht

Gisteren was de feestelijke presentatie van het allereerste Contrabas-boek: Ik kan alleen maar zingen van Hans Berghuis. Zo'n dagje uit is tegenwoordig nog een hele onderneming. Zeven uur 's ochtends op, de dochters naar hun vriendinnetjes gebracht, snel naar de trein, uitstappen in Geldermalsen, vanaf daar per auto (van uitgever Ton den Boon) naar Maastricht. Precies op tijd voor de radiouitzending van L1 (Limburg, regionaal). Even nagepraat. Dan door naar het Centre Céramique waar de presentatie plaatsvond. Er werden herinneringen opgehaald en gedichten gelezen door Frans Budé, Wiel Kusters, Emma Crebolder, Manuel Kneepkens (op het laatste moment als vervanger ingevallen voor de door griep getroffen Hans van de Waarsenburg). En ten slotte de omgekeerde rit: per auto, trein, en uiteindelijk per fiets om de dochters te halen. Vandaag publiceerde Dagblad de Limburger een artikel over een en ander. Het boek is vanaf vandaag te koop. Dus. (Met dank voor het lenen van een deel van het verslag aan Nicole Montagne.)

Morris dancing en verkoopcijfers

morris dancing In The Observer van zondag 29 januari besteedt David Smith onder de kop Poetry? It'll soon be about as popular as morris dancing kort aandacht aan de toekomst van de poëzie. De kop is ontleend aan een uitspraak van de Engelse tv-presentatrice Daisy Goodwin, die op grond van dalende verkoopcijfers vreest dat de poëzie aan het uitdoven is:

'It will be like morris dancing: really interesting to people who do it, and incomprehensible and slightly annoying to people who don't.'

Morris dancing is een Engelse vorm van volksdansen. Interessanter zijn de gepresenteerde UK verkoopcijfers van 2005: er werden 890.220 poëziebundels verkocht (een daling ten opzichte van voorgaande jaren) tegenover 45.772.541 fictie boeken (een stijging). Op een inwonersaantal van 60 miljoen zielen betekent dit dat één op de 68 Engelsen in 2005 een poëziebundel kocht.

Heeft iemand enig idee hoeveel poëziebundels er in Nederland en Vlaanderen in 2005 over de toonbank gingen? Ik niet. Op internet vind ik in een verslag van een commissievergadering van het Vlaams Parlement (april 1997) het volgende terug: 'De publicatie van boeken is een zeer dure aangelegenheid, vooral omdat dergelijke werken op de Nederlandstalige markt niet gemakkelijk de grens van 2000 verkochte exemplaren overstijgen. Binnen heel wat genres is men al tevreden als men 500 exemplaren kan slijten: veel poëziebundels bereiken dat cijfer niet eens, hun verkoop situeert zich rond 200 of 300 exemplaren.'

Stel dat ook hier, in Nederland en Vlaanderen, één op de 68 mensen in 2005 een bundel kochten. Op circa 22 miljoen inwoners houdt dat in dat er dan ruim 323.000 bundels werden verhandeld. Oftewel per bundel (141 in totaal) gemiddeld 2290 exemplaren. Zou toch geen onaardig resultaat zijn, lijkt me zo. Waar zeuren die Engelsen eigenlijk over?

29 januari 2006

Interview met Kees Klok

Kees Klok Kees Klok (Dordrecht, 1951) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij schrijft en vertaalt poëzie en scheidt een enkele maal een kort verhaal af. Hij houdt zich bezig met de geschiedenis van het moderne Griekenland en Cyprus, waarover hij in 2005 het boek Afrodite en Europa. Een beknopte geschiedenis van Cyprus van de prehistorie tot heden publiceerde (Dioskouri, Utrecht), dat in een Griekse vertaling van Stella Timonidou verscheen bij University Studio Press in Thessaloniki. Daarnaast geeft hij les aan het Stedelijk Dalton Lyceum in Dordrecht.

Hij is medewerker aan Stanza en was redacteur van het Vlaamse literair kwartaalschrift Kruispunt, dat eind 2004 werd opgeheven. In 2003 publiceerde hij bij Wagner & Van Santen een selectie vertalingen uit de poëzie van Moniza Alvi onder de titel Het land aan mijn schouder. In 2004 verscheen als Kruispunt 197 een 470 pagina's dikke bloemlezing over Cypriotische literatuur getiteld Wij wonen in een taal, die hij samenstelde met Stella Timonidou. Na een aantal publicaties in eigen beheer verscheen in november 2005 de poëziebundel In dit laagland bij Wagner & Van Santen.

1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?

Met het gedicht 'Een museum bouwen' uit In dit laagland, wat wel zo'n beetje de dingen verwoordt waar ik op het ogenblik bewust en onbewust mee bezig ben. Je gaat natuurlijk door allerlei levensfasen, vaak zonder je dat op het moment zelf bewust te zijn. Misschien dat ik over tien jaar heel anders schrijf, wie weet. Ik ben een nogal secondair reagerend mens. Dit gedicht slaat veel meer op de levensfase waarin ik pakweg vijftien, twintig jaar geleden zat dan nu. De waan van de dag is dan ook een verschijnsel dat ik zoveel mogelijk langs mij heen probeer te laten gaan.

Een museum bouwen

Al was het maar om de berookte wanden
van je stamkroeg te bewaren
en de winter weg te sluiten
achter glas-in-lood.

Al was het maar om haar
onzeker lachen, wanneer je niet
het juiste woord had
op het goede ogenblik.

Al was het maar om nog eens gewichtig
in de weg te lopen
als er vloedplanken werden gezet
en zandzakken aangesleept,
als waren wíj de redders
in modderig vaalgroengrijs.

Al was het maar om aan het einde
van de middag weg te sluipen,
de koude in of de trillende
nazomermiddag, om het gedruis
van latere generaties achter te laten
en bij de rivier te denken
aan al die onberoerde dochters,
loodgrijze zondagen en hymnen
voor een vreugdeloze, wrede god.

2. Waarom poëzie?

Kort gezegd kan ik aansluiten bij wat Komrij tijdens een optreden in Dordrecht eens badinerend, maar niet ten onrechte, beweerde, namelijk dat je in een gedicht evenveel kunt zeggen als in een roman. En vaak nog beter ook, zou ik daaraan toe willen voegen. Je hoort dichters nogal eens beweren dat poëzie voor hen zoiets als ademhalen is. Ongetwijfeld is dat zo, maar op de vraag zijn vele antwoorden mogelijk. Voor mij heeft poëzie schrijven iets fascinerends, iets wat moeilijk definieerbaar is, maar wat de Schotse dichter John Burnside omschrijft als het bedrijven van een soort van alchemie.

Ik ben op de traditionele manier tot de poëzie gekomen. Als puber schreef ik versjes die ik in de schoolkrant kwijt kon. Van lieverlee nam dat schrijven serieuzere vormen aan, vooral omdat ik onder invloed van enkele goede leraren en niet te vergeten van stad- en schaakteamgenoot Kees Buddingh' ook poëzie begon te lezen. Langzamerhand werd ik erdoor gepakt en werd het een onmisbaar deel van mijn bestaan. Vooral dat lezen van poëzie was (en blijft) erg belangrijk. Dichters die 'ik lees nooit iets van een andere dichter want dan wordt mijn stijl beïnvloed' roepen, komen meestal niet erg ver.

3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?

Omdat dit een mini-interview is, zal ik proberen zo kort mogelijk te antwoorden. In den beginne was daar natuurlijk Kees Buddingh,' die tijdens mijn middelbare schooltijd begon door te breken. Helaas liet ik mij aanvankelijk meer beïnvloeden door aardigheidjes als het beroemde, maar waarschijnlijk de eeuwigheid niet halende potje sandwich spread, maar gelukkig kwam toen Het houdt op met zachtjes regenen, dat wellicht als het hoogtepunt van zijn oeuvre kan worden beschouwd, naast de grappige en knappe gorgelrijmen natuurlijk. Levensgevaarlijk is overigens het parlando bij Buddingh', dat hij zich vaak juist wel, maar dat veel dichters, waaronder ik, zich juist niet kunnen veroorloven.

Wat mij in Buddingh's oden en in memoria treft is dat hij als het ware heel dicht bij je komt. Je leest die verzen alsof hij naast je tegen je zit te praten (vooral als je je er zijn markante stem bij herinnert), er zit een toon van alledaagsheid in, maar ondertussen schuilt daarachter een tragisch en getraumatiseerd dichter. Een dichter ook die ineens een heel ander gezicht kan hebben dan we van de milde, op knusheid gestelde Buddingh' waren gewend. Een andere Buddingh' dan die van het 'sinds Buddingh' verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen' (zoals Remco Campert ooit dichtte). Kijk maar naar de laatste regels van In memoriam Beertje van M.

Een andere Nederlandse dichter die mij heeft beïnvloed is Remco Campert. Een gedicht als 'Credo' uit zijn eerste bundel Vogels vliegen toch verwoordt vrij nauwkeurig een van de twee polen waartussen ik als jong dichter heen en weer werd geslingerd. De nuchterheid en het alledaagse (maar ook de humor) van Buddingh's elastiekje enerzijds en aan de andere kant de romantische verwachtingen die iemand als Campert koesterde van de poëzie, terwijl hij zich te gelijkertijd realiseerde dat de wereld helemaal niet op dichterlijke hemelbestormers zit te wachten. 'Maar de kranten willen het anders,' luidt de eerste regel van de laatste strofe van 'Credo'.

Wat mij in Campert bijzonder aanspreekt is zijn vakmanschap. Het is hier niet de plaats voor een cursus poëzieschrijven geloof ik, maar Campert verstaat de kunst om met een handvol woorden te zeggen waar iemand anders drie pagina's voor nodig heeft. Alles wat hij wil zeggen vind je in zijn gedichten eigenlijk veel sterker en indrukwekkender terug dan in zijn proza (al lees ik dat ook met genoegen, daar niet van). Enig cynisme is Campert nu en dan niet vreemd en dat spreekt mij eveneens wel aan. Ik vond Campert in de zestiger en zeventiger jaren in dat verre, bruisende Amsterdam, waar we toen nog tegenop keken, bovendien een veel kleurrijker figuur dan de brave burger Buddingh', hoewel die in Dordrecht toch vaak werd aangezien voor een exoot van de eerste orde.

Ook het werk van stadgenoot Jan Eijkelboom heeft mij wel beïnvloed. Vooral zijn vroege poëzie. Wat blijft komt nooit terug was een boeiende verrassing, waarin Dordrecht niet fungeerde als een in de versukkeling geraakte, door megalomane stadsvernieuwers in de jaren vijftig en zestig onherstelbaar verminkte stad, zoals ik het toen ervoer, maar als een inspiratiebron voor prachtige verzen. Kaalslag en verwoestende smakeloosheid werden bekritiseerd, zeker, maar naar een hoger plan getild en natuurlijk was het een bundel met veel weemoed, zonder dat het dramatische huilebalkerij werd. Kenmerkend is de laatste strofe van 'Kromme Elleboog', een eeuwenoud straatje dat werd gesloopt ten behoeve van modernistische gruwel toen ik een jaar of tien was en dat ik mij nog goed herinner:

Maar in de Kromme Elleboog
heeft niemand ooit een slag gewonnen.
Er was een dak. Dat hield het droog.
Iets anders is er pas begonnen
toen, even, dat berag bewoog.

Ik word daar steeds weer door geraakt. Ik zie die half gesloopte krotten voor me en dat loshangend berag langs de muren, maar het gaat bij Eijkelboom natuurlijk helemaal niet alleen over Dordrecht. De stad is een middel, geen doel en zijn poëzie stijgt ver uit boven de Merwede. Ik weet niet of het wel helemaal terecht is, maar voor mijn gevoel heeft Jan Eijkelbooms poëzie altijd zo'n beetje tussen die van Buddingh' en Campert in gestaan. Een soort van derde weg, zeg maar.

Er zijn nog behoorlijk wat andere dichters die hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van mijn poëzie, bijvoorbeeld Herman de Coninck, Eddy van Vliet, Willem Wilmink en Hans Vlek, maar ik wil het maar bij de drie belangrijkste laten. Ongetwijfeld speelt ook een aantal Engels- en Griekstalige dichters een rol in mijn werk al was het maar door mijn vertalingen, maar dan op een veel indirectere manier.

4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?

Dat is het gedicht 'Tholen' uit de bundel Zielsvrienden van Max Niematz:

Tholen

Zacht liep ik over de aarde,
als over andermans erf.
Een kleurig lint danste er
op de wind. Gisteren was wild
en bont. Vandaag ligt me al
paarser in de mond. Morgen

is geheel zwart misschien,
geleende, maar zelfverzoende
grond. Waar de voren ontmoetten.
Waar het kyrie zong. Waar
de schapen, waar hun schimmen
vraten aan mijn voeten.

Pfeijffer over Verdonk

VerdonkIn de NRC van 27 januari trekt Ilja Leonard Pfeijffer in een artikel, getiteld Linguam et mores secum vexit (Hij nam de taal en de zeden met zich mee), van leer tegen alweer een gewraakte uitspraak van minister Verdonk.

Pfeijffer opent met de uitspraak van Verdonk: 'Nederlands praten op straat is heel belangrijk. Ik krijg van veel mensen mailtjes dat zij zich unheimisch voelen op straat.' Hij vervolgt: 'Laten we hopen dat Minister Verdonk van Vreemdelingenbeleid en Integratie deze uitspraak tegen een journalist van de Volkskrant niet op straat heeft gedaan, want het gaat al onmiddellijk fout. Unheimisch, dat is natuurlijk geen Nederlands. [...] Het woord dat zij bedoelt is unheimlich.'

'Was het maar zo grappig. Eergisteren maakte ik een wandeling over straat met een goede vriend. Wij spraken over poëzie. Hij citeerde een passage uit de derde satire van Juvenalis: 'iam pridem Syrus in Tiberim defluxit Orontes, et linguam et mores secum vexit'. Ik antwoordde hem met een citaat van de dichter Célan: 'Schwartze Milch der Frühe wir trinken sie abends'. De wijkagent, die onze conversatie had opgevangen, bleek tot ons grote geluk een poëzieliefhebber. Wij kwamen er vanaf met een waarschuwing.'

'Het is helemaal niet grappig. Dat is het allerergste. Want we weten allemaal donders goed wat de minister bedoelt. [...] Natuurlijk mogen mensen van haar zelfs zonder te citeren Frans, Duits of Engels praten op straat. [...] Vieze enge terroristentalen van unheimliche mediterrane types, dat is waar de mensen bang van worden en op die angst speelt zij in. Turken en Marokkanen en andere ongure sujetten, die heeft zij op het oog. Hun wil zij het verbod opleggen in het openbaar in hun moedertaal te communiceren.'

Wanneer Verdonk dit laatste niet ontkent, besluit Pfeijffer, dan bevestigt zij 'dat haar voorstel een overtreding van artikel 1 van de grondwet impliceert, doordat zij sommigen die zich in Nederland bevinden anders dan anderen het recht ontzegt op gebruik van hun moedertaal in het openbaar en waarmee zij bevestigt dat haar voorstel, in discriminatie van een bepaalde groep minderheden op grond van hun afkomst, rascistisch is. In dat geval kan het bovenstaande beschouwd worden als een aanklacht.'

Verdonk wint Big Brother Award. AMSTERDAM (ANP) - Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken) heeft zaterdag 28 januari een Big Brother Award gewonnen. Burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom reikt de prijzen ieder jaar uit aan personen, bedrijven, overheden en voorstellen die inbreuken op de privacy hebben bevorderd. Verdonk krijgt de prijs voor een fout waardoor de status asielzoeker van zeker 122 uitgeprocedeerden in hun land van herkomst bekend werd. De minister heeft de fout volgens de jury ten onrechte gebagatelliseerd. 'Uit deze zaak blijkt dat privacy van belang is om de veiligheid van personen te garanderen. De statusinformatie kan betrokkenen in levensbedreigende situatie brengen.'

Rondje nieuws

De wereld bij avondMenno Wigman. In de NRC van 26 januari bespreekt Arie van den Berg het bundeltje van Menno Wigman, De wereld bij avond, dat in opdracht van Poetry International werd geschreven (Prometheus, € 1,50). 'Bij lezing daarvan,' schrijft Van den Berg, 'is één ding direct klip en klaar: Wigman is een meer dan vaardig taalsmid.'

'Wigman kruipt diep in de huid van zijn personages (een schizofreen in Den Dolder of een glazenwasser aan een gevelwand), maar even intens zet hij zichzelf op kritische afstand. [...] Wigmans wortels liggen in de traditie van de negentiende-eeuwse zwarte romantiek, maar ook het existentialisme is hem blijkbaar niet ontgaan. Bovenal is hij een dichter van het nu.'

De bundel werd ook gerecenseerd door Iris Pronk in Trouw. Deze recensie valt hier te lezen.

Gedichtenbal. Ron Rijghard doet in de NRC van 26 januari verslag van het Gedichtenbal, waar hij 'weinig flair' bespeurde. 'Het hybride programma zonder hart had vooral professionals naar het dichtersbal gelokt, werkzaam in het boekenvak en de media, en maar een plukje dichters en gewoon publiek.'

'De Dichter des Vaderlands was ongewild onderdeel van het amateuristisch dieptepunt van het bal. Hij en drie andere dichters zouden overkomen van het Rijksmuseum - waar Gedichtendag officieel werd geopend met Rembrandtgedichten. Dichter na dichter werd aangekondigd, voordat bleek dat het viertal er niet was. Pas toen presentator Vitalski ophield met zijn geïmproviseerde acts en wanhopig een pauze aankondigde - en iemand van de organisatie riep: "Ik stel voor dat we die hele fokking Rembrandt vergeten!" - betrad de Dichter des Vaderlands plots het podium.'

I_thought_1 Recensies Vlaamse debutanten. Op 8weekly bespreekt Laura Stamps de bundels Omgekeerd van Dimitri Casteleyn en I Thought We Just Left That Party van Jess de Gruyter.

'Hoewel in een heleboel opzichten verschillend, is er ook een duidelijke overeenkomst tussen de bundels van Casteleyn en De Gruyter. Met beide bundels wordt geprobeerd een groter publiek te bereiken dan alleen de poëzieliefhebbers pur sang. Casteleyn doet dat met behulp van de inhoud van zijn gedichten, de cd-rom met 'bewegende gedichten' en een site, De Gruyter doet dat door een opvallende cover, een bijbehorende film, humor en door zich te distantiëren van het algemene beeld dat van de dichter bestaat. Een goed streven, dat bij Casteleyn – gezien de verkopen – de gewenste gevolgen heeft. Of hetzelfde met Jess De Gruyters bundel, die pas sinds oktober 2005 uit is, ook gaat gebeuren is nog even de vraag.'

Huisdichter van 8 jaar. 'Het winnend gedicht dat de luisteraars van de Belgische radiozender Radio één hebben verkozen ter gelegenheid van Gedichtendag 2006 is van de hand van de achtjarige Ward Den Dooven uit Schilde. Dt titel is 'Geel' en het poëem zorgde ervoor dat hij zich de titel van huisdichter van Radio 1 mag toeëigenen. De luisteraars van Radio 1 konden twee weken lang twee originele gedichten insturen. Uit de meer dan 2.000 gedichten selecteerde een Radio 1-jury 35 genomineerden, waarna juryvoorzitter en dichter Benno Barnard hieruit vier favorieten koos. Uiteindelijk kozen 989 luisteraars dan de winnaar. 'Geel' overtuigde jong en oud van het poëtisch talent van Ward Den Dooven uit Schilde. Ward Den Dooven krijgt, behalve de eretitel ‘Huisdichter Radio 1 2006’, een gesigneerde Mont-Blancpen en een gastoptreden in het Poëziecentrum Gent, dat gepland is voor 4 maart eerstkomen.' Lees hier het gedicht. (Bron: The Art Server)

Interview met Kees Klok

Kees KlokIn de Grote Zaal valt een interview te lezen met Kees Klok (1951), van wie onlangs de bundel In dit laagland (Wagner & Van Santen) verscheen.

Klok: 'Kort gezegd kan ik aansluiten bij wat Komrij tijdens een optreden in Dordrecht eens badinerend, maar niet ten onrechte, beweerde, namelijk dat je in een gedicht evenveel kunt zeggen als in een roman. En vaak nog beter ook, zou ik daaraan toe willen voegen. Je hoort dichters nogal eens beweren dat poëzie voor hen zoiets als ademhalen is. Ongetwijfeld is dat zo, maar op de vraag zijn vele antwoorden mogelijk. Voor mij heeft poëzie schrijven iets fascinerends, iets wat moeilijk definieerbaar is, maar wat de Schotse dichter John Burnside omschrijft als het bedrijven van een soort van alchemie.'

Lees verder >>

Herme G. Donis

Herme G. Donis Aan de Spaanse bibliotheek worden maar liefts zeven gedichten toegevoegd van Herme G. Donis (1951), vertaald door Fa Claes.

HERHAALDE INDRUK

In de zee die in je binnenste dreunt
blijft nu alleen de zekerheid bestaan
dat na het onverschrokken avontuur
dat het leven is niets van je verder zal reiken
dan de koude intimiteit die de aarde schenkt.
Daar zal de dood je stilte voltooien.

Lees verder op Stanza >>

Uitgeverij De Contrabas

Cookies

De Contrabas maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie Zie hier
.

Laatste reacties

Pageviews


Sinds 21 augustus 2005

Categorieën