Onno Kosters (1962) is dichter, doelverdediger en werkzaam als docent, tekstschrijver en vertaler van onder andere Wallace Stevens, Samuel Beckett, Edmund White en Nelson Mandela. Hij promoveerde in 1999 op het rusteloze einde in het werk van James Joyce. Kosters publiceert in diverse tijdschriften, zoals De Brakke Hond, Dietsche Warande en Belfort, Parmentier en de Revisor. Zijn dichtbundel Callahan en andere gedaanten verscheen in 2004 bij Uitgeverij Contact en hij bereidt op het moment zijn nieuwe bundel De grote verdwijntruc voor. Meer informatie: www.doelverdediger.nl
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met 'De man in de muur', uit mijn bundel ‘Callahan en andere gedaanten’. Beetje lang (7x7 strofen) om hier helemaal te citeren, daarom hier alleen de derde 7:
Het nieuws wordt verpakt in de vis van morgen.
Lezen wij de ingewanden van het wezen dat hapt
naar lucht, dat spartelt. In het water op het droge.
Hoofdpersonen rennen aan de inktzwarte plas voor-
bij. De man in de muur, only in it for the money,
metselt zich in, wordt dan wat ik al van hem maakte.
Schepsel van mijn kop en been van mijn merg,
kloppend orgaan van deze ontzette inwendige mens.
Als voorbereid op mijlen onder zee verdwijnt
een laatste rechthoek luchtblauw licht. Zuinig
met zuurstof! Luidt nu het devies, de noodklok
in de verte. Hij zet zich op het onontslapen bed
in die totaal zwarte kamer, die huivering wekt. Men
hoort nog het tikken in het witsel, lijkenwindsel,
maar men zoekt er niets achter, ja pa ging een pakje
sigaretten halen, plakte een geeltje op zijn monitor,
‘Ben even weg, tot later’, was getekend, ‘Godot’.
Humor, dus wordt de tafel gedekt, de pasta gekookt,
worden glazen gevuld en ligt op zijn plek keurig een
placemat. Zijn stoel staat comfortabel klaar, Eliah! Eliah!
Ze hebben geen idee wat ze doen, zijn geliefdste gezin,
ze missen alleen de vaas, zien nog niet de bloemen
in de tuin, nat nog, slap al, oogverblindend, het zwart
in de bloeiwijze besloten, als een bedoelde barst.
Hij hoort het getik van het bestek, maakt zijn eigen op.
Hij ruikt de pasta, de kruiden, het wijnrode zoet.
Hij schikt zich voorbeeldig, legt zijn oor te luisteren, daar
aan de andere kant van de muur, waar het koud wordt.
Dit is mijn poëzie: de wereld biedt een aanleiding (in dit geval een bericht over een Italiaan, Nemo Cianelli, die zichzelf, begin jaren vijftig, nadat er een ongeneeslijke ziekte bij hem was geconstateerd, in zijn eigen huis achter een muur inmetselde, met medeneming van een jachtgeweer en een fles wijn, een briefje op tafel achterlatend dat hij naar Amerika was vertrokken om een betere toekomst te vinden, en wiens resten daar veertig jaar later, toen het huis waar zijn vrouw en kinderen allang niet meer woonden door een Amerikaanse pensionado werd verbouwd, werden aangetroffen; in andere gevallen bijvoorbeeld de 'Dirty Harry'-films van Clint Eastwood, het keepersbestaan van Khalid Sinouh, een treinreis), die ik gebruik, misbruik, om een verhaal te vertellen dat zich loszingt van de aanleiding, een eigen weg inslaat, zich over mijn eigen bestaan schrijft: waar ik, of een ik dat op mij lijkt, uiteindelijk mee samen val, of valt. Poëzie als reis, reis met omwegen, reis van echo's (hier onder anderen Beckett, Verne, Homerus, Kouwenaar), reis door de suggestie, door de taal; reis in taal.
2. Waarom poëzie?
Poëzie is voor mij blijkbaar het transportmiddel dat zich het beste leent om die reis te maken.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Beckett, Homerus, Ovidius, Kouwenaar, Vaandrager. Ook: Laurie Anderson en Jotie T' Hooft. Weldon Kees, Simon Armitage. En - nee. Iedere dichter om verschillende redenen. Het compacte en intellectuele, intertekstuele van Beckett, de verhalen van Ovidius, de omvangrijkheid en onontkoombaarheid van Homerus, het geslotene van Kouwenaar dat wanneer je eenmaal 'binnen' bent zoveel vergezichten biedt, het suggestieve van Vaandrager. Laurie Anderson: de humor, het epische, de muziek. De duisternis van Jotie T' Hooft, maar ook zijn lyriek en humor. Weldon Kees, Simon Armitage, de zoeker, de vinder. Achterberg. Zie onder.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
'Ballade van de gasfitter' van Gerrit Achterberg. Beetje lang (veertien sonnetten) om helemaal te citeren, daarom hier alleen het dertiende:
Na jaar en dag hervinden wij de fitter
in 't ouwemannenhuis. Zijn haar is wit;
een kindse vent, die in een stratengids
namen te spellen zit, letter voor letter.
Tafel en bed heeft hij te delen met
postbode, wisselloper en loodgieter.
Hij krijgt gedurig op z'n sodemieter
omdat hij altijd op het eten vit.
Er is tot aan zijn dood voor hem gezorgd.
Begrafenis- en ziekegelden lonen
de moeite om weldadigheid te tonen
en maken dat de vader hem niet worgt.
Publieke werken gaf hem onderdak.
Hij mag beschikken over pruimtabak.
Laatste reacties