Uitgesproken door Abe de Vries op 24 november 2005 in de raadszaal van het stadhuis te Bolsward
Geachte aanwezigen,
Het hoeft geen betoog dat het voor mij een grote eer is om hier vandaag voor u te mogen staan als winnaar van de Gysbert Japicxprijs. Het is een verbijsterende ervaring, moet ik bekennen, dat mijn naam voortaan genoemd en geschreven zal worden in het rijtje van mijn literaire helden die deze prijs eerder hebben gewonnen, zoals Obe Postma, Sjoerd Spanninga, Douwe Tamminga, Jan Wybenga en Tsjêbbe Hettinga.
Laat ik beginnen met de vertegenwoordigers van de provinciale en lokale overheid te danken dat de Gysbert Japicxprijs wordt uitgereikt op een manier die hoort bij een prijs met zo’n prestige. In de persoon van gedeputeerde van Cultuur Bertus Mulder wil ik daar de provincie voor danken, en in de persoon van burgemeester Willemijn Vroegindeweij de stad Bolsward.
Dan de leden van de jury, Michaël Zeeman, Jitske Kingma en Klaas van der Hoek, dank dat u mijn tweede bundel In waarm wek altyd deze eer waard vond. Ik ben blij met het juryrapport en met de woorden die Michaël Zeeman zoëven uitsprak. Datzelfde geldt voor wat gedeputeerde Mulder en provinciaal literatuurbevorderaar Teake Oppewal naar voren hebben gebracht.
Ook wil ik een woord van dank richten tot degenen die sinds 2001, toen ik met het schrijven van Friese poëzie begon, een kritisch oog lieten gaan over mijn dichtwerk voordat het werd gepubliceerd. Dat zijn Eeltsje Hettinga, Eppie Dam en Tsead Bruinja. Zonder onze gesprekken en heen en weer gemail had ik hier vandaag zeker niet gestaan.
En natuurlijk ben ik gezegend met mijn uitgevers, Louw Dijkstra en Robert Seton van uitgeverij Bornmeer, die sinds ik na een interview voor Elsevier het manuscript van mijn debuut De weromkommer yn it ûnlân handig bij hen achterliet, alle vertrouwen hebben gehad in, en enthousiast waren over, mijn gedichten.
Geachte aanwezigen, aan deze prijs is de naam van Gysbert Japicx verbonden, de grote renaissance-dichter uit het zeventiende-eeuwse Bolsward. Renaissance, dat is ook een woord dat ik tegenkwam in het juryrapport, waar staat, en ik citeer, ‘de renaissance in de Friese poëzie waar zo vaak naar wordt verwezen is niet een alleen een media-gebeuren, die renaissance is ook een feit’. De jury wijst dan op het relatief grote aantal jonge en min of meer jonge dichters dat de laatste jaren met werk voor het voetlicht is gekomen.
Misschien heeft de jury gelijk met het gebruik van dat hoopvolle woord ‘renaissance’. Maar naar mijn gevoel zullen daar dan meer factoren een rol bij spelen dan alleen het aantal nieuwe dichters.
Op de eerste plaats lijkt er in de Friese literatuurgeschiedenis nogal wat behoefte te zijn aan het herkennen en doormaken van ‘renaissances’, van perioden, met andere woorden, waarin iets nieuws naar voren komt. Het midden van de negentiende eeuw kan ook voor renaissance doorgaan, en wat te denken van de tijd van de Jongfriezen? Ook in de meer experimentele jaren vijftig, begin jaren zestig zou men zo’n periode kunnen zien.
Maar wat de hedendaagse renaissance in de Friese poëzie onderscheidt van de voorgaande vernieuwingsperiodes, is zonder twijfel het feit dat er grotere en bredere bruggen dan vroeger werden en worden geslagen naar de Nederlandstalige, niet-Friese lezer. Dat is een ontwikkeling waarvan men het begin al kan zien in de vroege jaren negentig. Ik denk dan aan het optreden van Tsjêbbe Hettinga op de Frankfurter Buchmesse in 1993 en het verschijnen van de Spiegel van de Friese poëzie in 1994.
Daarna hebben met name Albertina Soepboer en Tsead Bruinja het hunne gedaan om aan de andere kant van de Afsluitdijk en voorbij Wolvega aandacht te vragen en te krijgen voor Friese poëzie. De beide drukbezochte ‘Dagen van de Friese literatuur’ in Amsterdam, waar het Productiefonds in samenwerking met Tresoar in de persoon van Teake Oppewal zich sterk voor heeft gemaakt, zijn voorbeelden. De Droom in blauwe regenjas-tour van vorig jaar is een voorbeeld. En het jongste voorbeeld van de waardering voor Friese poëzie buiten de taalgrenzen is de uitgave, begin volgend jaar bij uitgeverij BnM in Utrecht, van vier tweetalige bloemlezingen uit het werk van Elmar Kuiper, Jabik Veenbaas, Cornelis van der Wal en ondergetekende.
Deze ontwikkeling is zonder twijfel belangrijk voor de Friese poëzie. Omdat dichters zo de mogelijkheid krijgen ook buiten Friesland op te treden en voor te lezen. Omdat dichters in contact komen met hun Nederlandstalige collega’s en hun ideeën. Omdat nieuwe ontwikkelingen in de poëzie op die manier misschien eerder tot de Friese doordringen. Omdat het gevaar opgesloten te raken in de eigen, beperkte literaire kring minder groot wordt. Omdat de receptie breder wordt en er meer respons komt. Omdat er een verbreding van thematiek kan plaatsvinden, en omdat de publicatiemogelijkheden ruimer worden.
Als het de grote verdienste van Gysbert Japicx was dat hij het ‘boerenfries’ tot een literair instrument heeft gemaakt, dan is het misschien de verdienste van onze generatie dichters dat wij het publiek voor dat literaire Fries groter maken. Zodat dat instrument niet alleen kan klinken, maar tot zijn recht kan komen op een ruimer podium.
Daarbij, geachte aanwezigen, is het echter goed om nog even stil te staan bij dat woord ‘renaissance’. Is het niet zo dat iedere renaissance ook een ‘restauratie’ in zich heeft? Ik geloof dat dat zo is, en het woord is daarom misschien niet meteen misleidend, maar het kan soms wel een wat eenzijdige interpretatie krijgen. Men kan zich niet een volledige wedergeboorte indenken: altijd komt het nieuwe tevoorschijn uit dat wat tot het waardevolle van een traditie wordt gerekend. preciezer gezegd: uit het besef dat er zoiets bestaat als de rijkdom van een traditie.
Dat was in de zeventiende eeuw van Gysbert Japicx niet anders: ook hij vergat niet om zich te oriënteren op klassieke voorbeelden. En ook in de Jongfriese tijd, toen alles anders moest, was er ruime aandacht voor het verleden, voor Gysbert bijvoorbeeld, maar ook voor iemand als Harmen Sytstra.
Ook, of misschien wel vooral, in een kleine taal en in een kleine literatuur is het van belang om steeds weer te wijzen op die dynamiek van vernieuwing en traditie. Het is in dat besef, het besef dat vernieuwing ook een opnieuw definiëren van, en verderbouwen op, de traditie is, dat ik in de bloemlezing It sil bestean, uitgegeven door Frysk en Frij, aandacht heb gevraagd voor een bepaalde wijze van kijken naar Obe Postma. Het is ook in dat besef dat ik met de bloemlezing Skielk beart de hjerst bij dezelfde uitgever wilde wijzen op onbekende aspecten van het werk van Douwe Hermans Kiestra.
En verder ben ik, om maar eens klassiek te eindigen, van mening dat het een schande is, een schande, dat er met de Verzamelde Gedichten van Jan Wybenga nog altijd niet eens een eerste begin is gemaakt.
(Waarna voorlezing van de cyclus ‘Wytsingebrieven’.)
Ik dank u wel.
Friese origineel: Op Farsk.
Laatste reacties