Recensie: Suikertantes - Joseph Pearce
Als zodanig schrijft hij dus, ondanks zijn naam, in het Vlaams en slaagde hij er tevens in om, geheel zonder dat dat mij opviel, zes romans te publiceren.
Jaja de oerknal luidt de titel van de derde dichtbundel van Maria Barnas (1973), schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. De brief van de uitgever die haar bundel begeleidde, meldt: ‘Wat steeds terugkeert bij Barnas is de afstandelijke verwondering waarmee zij zichzelf en de wereld gadeslaat en van taal voorziet. Een manier van kijken die ontregelt en ontroert.’
Dit is slechts ten dele waar, die ‘afstandelijke verwondering’. Ja, er spreekt weliswaar verwondering uit de gedichten in haar jongste bundel, maar het is geen stille of milde (kalme) verwondering, het is veeleer de sublieme ervaring die centraal staat in Jaja de oerknal. Een ervaring die samengaat met angst, verpletterd-worden en ontzetting.
Vandaag wordt in Den Haag de taal van Couperus gevierd, en ik mag daarbij zijn. Ik ben daar heel blij en vereerd mee, want ik houd enorm van Couperus en van Den Haag en van taal en van het Den Haag van Couperus en van de taal van Couperus en de taal van Den Haag, en ga zo maar door. De dag gaat besloten worden met een discussie over het 'hertalen' van Couperus om het werk toegankelijker te maken. Hoe langer ik over dat begrip nadenk, hoe absurder ik het vind. Ja, als mij vandaag een mening over die kwestie gevraagd wordt zal ik zeggen: wie Couperus wil hertalen, begaat een grote vergissing. Je kunt zijn werk op die manier helemaal niet toegankelijk maken, omdat je het werk kapot maakt door het te hertalen.
Lees verder op Neder-L.
Wie ben ik om Gerrit Komrij te spreken, en toch doe ik dat. Natuurlijk gaat Wagner en ik over Richard Wagner en over Gerrit Komrij. Maar dan wel met de kanttekening dat de Wagner uit de titel meervoud is - ‘Wagner hoort tot de uitverkoren schimmen, omdat al zijn schimmen bij elkaar de ware Wagner zijn en omdat de ware Wagner nooit heeft bestaan. Wagner is een maaksel’ en de ‘ik’ bestaat uit meerdere ‘ikken’. Wagner en ik is een coming of age essay, waarin Komrij aan de hand van zijn zich steeds verder ontwikkelende bewustzijn over de controversiële reacties die Richard Wagner en ook zijn muziek oproepen zijn houding ten opzichte van kunst bepaalt.
Lees meer "Gerrit Komrij over Richard Wagner - en over zichzelf - in Wagner en ik" »
De hartslag van Cannes
door Annick Vandorpe
Na het lang weekend zag ik mijn vriendin S. terug bij de schoolpoort. Ze was in alle staten. De agitatie, zo bleek, had te maken met een uitstap naar Cannes.
Maandag was S. naar de badstad gereden om haar man te spreken die kapitein is op een jacht van twee Chinese multimiljonairs, momenteel aangemeerd in Pantiero, de vieux port van Cannes. Een van beide bazen zit in de filmbusiness en vermits China als een van de grootste filmproducenten ter wereld rijkelijk vertegenwoordigd wordt op het festival, is het op de boot een onafgebroken komen en gaan van gasten. De man van S. moet dag en nacht ter beschikking staan om aan de grillen van zijn baas te voldoen, of het nu gaat om het regelen van een tocht naar de eilanden omdat een of ander obscuur filmsterretje in de beschutting van een baai wil zwemmen of om de organisatie van een meergangen-diner voor twintig man waar uiteindelijk veertig personen op afkomen.
Eerst waren er 114 inzendingen - de oogst van de afgelopen twee jaar. Toen blijven er zestien titels over op de longlist. Daaruit selecteerde de jury vijf genomineerden, en dat is meer dan normaal. En toen kwam de avond van de uitreiking waar maar twee genomineerden aanwezig waren (Louise O. Fresco, Joep Leerssen en Willem Schinkel hadden verplichtingen elders). Aan het eind van de avond was er één winnaar en één verliezer - al voelde Peter Venmans dat niet zo: genomineerd zijn is een eer.
Toen de afwezigheid van drie van de vijf genomineerden aan het begin van de avond gememoreerd werd en er niet gerefereerd werd aan de aanwezigheid van uitgevers, redacteuren, familie of vrienden die in het geval dat namens hen de prijs in ontvangst zou nemen, rees bij mij het vermoeden dat de winnaar in de zaal zat.
En toen juryvoorzitter Margot Dijkgraaf een karakteristiek gaf van de vijf genomineerde titels, was het voor mij eigenlijk al duidelijk. Er werden niet alleen meer woorden gewijd aan Kus me, straf me: over lezen en schrijven, liefde en verraad, die woorden waren ook nog een lyrischer en lovender.
Wie kent niet de verleiding om ondanks een to-do-lijstje waarop sowieso al teveel taken voor één dag staan – of misschien juist daarom – te vluchten in de afleiding die internet biedt. Stephane Kaas in ieder geval wel. Hij laat volledig gaan en surft zich wijs dankzij een snelle rondgang lang meer en minder informatieve sites. Zijn film To-do-lijst is een wervelende montage van beelden geplukt van die sites, voorzien van hoopvol edoch ironisch commentaar.
Juryvoorzitter BarBara Hanlo – achternicht van de naamgever van de prijs – verwoordde het zo: ‘Het filmessay van Stephane Kaas is een dynamische donderspeech. Het lijkt op een pleidooi om je stuurloos te begeven in een onbekende wereld die dankzij sociale media aan je voeten ligt. Maar de bevlogenheid van de maker heeft iets verraderlijks, evenals de sociale media zelf, zodat je je steeds moet afvragen: wat is mijn eigen benul van de dingen en wat wordt mij opgedrongen?’
Want dat was het thema: ‘Mijn benul. Benul is het eerste
besef van expressie. Het is eerlijk.' Woorden van Jan Hanlo uit Mijn benul.
Ook genomineerd waren: Composition in Color
van Pépé Smit en Harm van den Berg en A Room of One’s Own van Hee-Seung
Choi .
In totaal werden er meer dan twintig filmessays ingestuurd. Onder de inzenders
zat niet één amateur. Alle deelnemers zijn professionals of
professional-in-opleiding.
Ingezonden: ‘Drie jaar lang hield A.F.Th. van der Heijden alle publiciteit verre van zich. Op 23 mei geeft hij in Amsterdam zijn eerste grote interview sinds het overlijden van zijn zoon Tonio. De opname, die plaatsvindt in de grote zaal van het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam, begint om 12.00 uur. Aanmelden voor de opname is nu mogelijk, klik hier.’ Meer info bij de NTR.
Ray Manzarek, mede-oprichter van en toetsenist bij The Doors, is gisteren op 74-jarige leeftijd overleden in een kliniek in Rosenheim, Duitsland. Dat heeft zijn management gisteravond laat bekendgemaakt. Manzarek leed aan galgangkanker. Bron: NRC. Manzarek was bekend om zijn jengelende orgelgeluid. Heel typisch, kun je dat noemen.
De naam The Doors komt, via Aldous Huxley, uit een boek van William Blake, zoals hier te lezen is. Een citaat: ‘If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, infinite. For man has closed himself up, till he sees all things thro' narrow chinks of his cavern.’ Een tekstversie vindt u hier.
Schatplicht heet de bundel waarin de essays en toespraken staan die Nelleke Noordervliet tussen 2004 en 2011 schreef en hield. Wie het werk van Noordervliet kent, kan zien waar zij de mosterd haalt en wat er mogelijk nog op stapel staat. Op de bundel als geheel kom ik nog terug, maar hier alvast een gedicht van Dylan Thomas dat Nelleke Noordervliet onder andere aanhaalde in de 4 mei-lezing van 2006 De ongrijpbaarheid van het kwaad.
Maar eerst
de context: ‘Do not go gentle into that
night, rage, rage against the dying of the light.’ We verzetten ons tegen de duisternis. We
verzetten ons tegen het vergeten. Maar hoe kunnen we ons verzetten als de
verhalen van de oorlog verstenen tot mythen. Als we het lied zo vaak hebben
gehoord dat de betekenis uit de tekst is verdwenen.
We moeten ons
allereerst verzetten tegen gemakzucht en afstomping in onszelf. Blijf
luisteren.
Een dergelijke oproep - hij wenst stervenden verzet tegen het naderende gedwongen afscheid toe - doet Dylan Thomas in zijn gedicht zonder titel dat bij wijze van naam die eerste regel Do not go gentle into that good night kreeg:
Lees meer "Nelleke Noordervliet schatplichtig aan onder andere Dylan Thomas" »
Op Facebook publiceerde Ilja Leonard Pfeijffer een prachtige oproep tot de Nederlandstalige (op Facebook aanwezige) dichters: ‘We moeten onder ogen zien / dat onze knusse niche steeds knusser dreigt te worden.’ Ook neemt hij in zijn oproep afstand van zijn vroegere dichters-ik, zij het ironisch. Maar wat, bij dit alles, te doen? ‘Dus vrienden, grote dichters van heel Nederland / en België, waar wordt geschreeuwd is taal vacant. / Ik vraag niets, wil niets, eis niets, heb niets uit te leggen. / Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?’ De hele tekst:
Maar vrienden, lieve dichtertjes van Nederland
en België, ik moet met jullie praten. Want
het weer is omgeslagen. Winter komt. De nachten
ontbloten zich bezweet met woelende gedachten.
De dagen worden afgeraffeld. Anders zouden
de juiste vragen aan de orde komen. Koude
gerechten worden rillend opgediend. De angst
is van de bange dingen wel het allerbangst.
We kunnen nu niet meer volstaan met poezenplaatjes
op ons profiel, voorspelbaar ongewone praatjes
van hoe de pannenkoeken en de Marokkaan,
van hoe er spiegelfietsen in de grachten staan,
van hoe het Vondelpark en daarna op je stoep,
van vroeger, nu en ooit misschien en hondenpoep
die in een kunstcollectie opgenomen is,
van het relativeren van een groot gemis,
van kamerplanten die op Friedrich Nietzsche lijken,
van het bestaan van onvermoede buitenwijken,
van sjoelbakrestaureurs, oranjecomité,
beslommeringen, poppenliefdes. Ik zeg nee.
Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht
iets méér te leveren dan een zesmingedicht
dat met verwondering naar de ontroering kijkt
en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt
wat eerder al ten onrechte werd aangezien
voor poëzie. We moeten onder ogen zien
dat onze knusse niche steeds knusser dreigt te worden.
Terwijl de broze poort belaagd wordt door de horden,
gaat ons debat erover hoe te masturberen.
We kunnen nu nog even op subsidies teren
en punniken als meisjes. Maar. Er is een maar.
Want wat wij doen is, lang of kort gepraat, niet waar.
Het is onwaarheid om de waarheid te negeren.
Terwijl we slechts ons eigen tijdverdrijf creëren
en luid op eigen borst en elkaars smoelen slaan,
weergalmt geschut achter de kim. Er kraait geen haan,
al hebben we elkaar toch ruim drie keer verraden.
Op roze laarsjes door elkaars moerasjes waden
en broze bellen blazen in het ballenbad ---
dat kunnen we en daarmee heb ik het gehad.
Een mens is niet gemaakt om eieren te leggen.
Wie iets te zeggen meent te hebben, moet iets zeggen.
De winter komt en hij zal vele jaren duren.
De dichters zullen zingen bij de bange vuren
of niet meer dichters zijn. We moeten alles weten
wat googlende vingers dagelijks vergeten.
Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje die ik mij daar was. De waan
dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.
Ook wie een goede vraag heeft, wil worden verstaan,
want anders is er niemand meer die het nog snapt.
Ik heb met te veel lucht naar lucht gehapt
om ademnood met woest gehoest te laten stikken,
terwijl ik onderschatte hoe de mensen wikken
en wegen en aan alles echt behoefte hebben
behalve aan wat zekerheden weg doet ebben.
De romantiek van épater la bourgeousie
heeft stof verzameld als een dierbaar relekwie
dat relevantie en urgentie heeft verloren.
Wie niet weet hoe hij voelen moet, moet weer eens horen.
Profeten staan niet op een rots in de woestijn
om eenzaam kemelharig ongehoord te zijn.
Wanneer de wereld doldraait van de gekkenpraat,
zal hij op prime-time uitleggen waar het om gaat
en in de modder met een fluorhesje aan
met nabestaanden zeer eendrachtig nabestaan.
Het onweert. Of is dat de hoefslag van de horden
die stof opwerpen van het zuiden tot het noorden
en oceanen met hun woede zullen keren
dat droog land stille zee wordt en de steden meren,
de automaten ijs verstrekken en ons geld
als almaar vallend stof niet langer wordt geteld?
Ik hoor het raarste nieuws van onze buitenposten:
we zijn de door de evolutie afgelosten.
De torens zijn al lang gevallen. Overmorgen
zal hoogstwaarschijnlijk almaar slechter zijn dan morgen.
Ik wil hier niet apocalyptisch zitten wezen.
Maar winter komt. We moeten luchten leren lezen.
Dus vrienden, grote dichters van heel Nederland
en België, waar wordt geschreeuwd is taal vacant.
Ik vraag niets, wil niets, eis niets, heb niets uit te leggen.
Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?
© Ilja Leonard Pfeijffer
Theo Kars komt nu, ruim twee jaar na deel 1, met deel 2 van zijn Memoires van een slecht mens. Jammer genoeg heeft de stijl van Kars soms iets houterigs, en is zijn filosofie van het hedonisme meestal wat enkelvoudig, maar toch is hij een van de sympathiekste buitenstaanders in ‘het literaire dorp’ (de term is van Kars zelf).
Zoals we uit deel 1 leerden dat H.J.A. Hofland allerlei ambities had richting de politiek (het uitkomen daarvan was een zegen geweest voor de journalistiek, maar dit terzijde), werpt dit deel (voor zover ik het tot nu toe heb gelezen) een nieuw licht op (onder meer) de manier waarop Johan Polak opereerde en op de eerste gloriejaren van de Arbeiderspers-nieuwe-stijl in het begin van de jaren zeventig.
Kars beschrijft mooi hoe Theo Sontrop regeerde (nurks en met harde hand) en hoe Martin Ros ook toen al vooral was veranderd in een boekenberg. Leuk om te lezen: Kars had enige tijd contact met Gerrit Komrij, rond een uitgave bij de Olympia Press, die samen met zijn vriend Charles als getuige fungeerde tijdens een van Kars' huwelijken. Een deel van deze episode is hier te lezen. Ook de korte, maar turbelente periode waarin Peter Loeb rondwaarde door de Nederlandse letteren wordt van binnenuit beschreven.
De revival waarop ik eind 2010 hoopte, is voorlopig uitgebleven. Maar toch blijft het zaak om erop te hopen. Kars moet worden gelezen; misschien niet door de inwoners van ‘het literaire dorp’, maar wel door mensen die deze sympathieke buitenstaander kunnen waarderen. Op deel 3 zullen we sowieso nog een tijd moeten wachten. Kars zal daarin een door hem begane misdaad bekennen die hem financieel onafhankelijk heeft gemaakt. Welke misdaad? Ik zou bijna zeggen: ik kan niet wachten.
Essay (o) [oorspronkelijk Frans
essai (proef)]: Niet te korte, voor een ruim publiek bestemde, subjectief
gekleurde verhandeling over een maatschappelijk, wetenschappelijk of
letterkundig onderwerp, gekenmerkt door goede, persoonlijke stijl.
Die omschrijving staat steevast op de eerste pagina van het Cossee Essay, een reeks die inmiddels een aanmerkelijk aantal boekjes van bescheiden omvang telt. Best een heldere omschrijving, en helemaal in de traditie van Michel de Montaigne. Zij het dat in Nederland in eerste instantie een ander type essay in de smaak viel. Dat lees ik dan weer in de inleiding van Maarten Asscher en Arjen Mulder in het juli-augustus-september nummer van De Gids (2007): De titels van Montaigne. Montaigne is niet de enige grondlegger van het genre. Francis Bacon is de andere.
Wie wetenschappelijke, filosofische en kritische beschouwingen schrijft op basis van bronnen of algemeen aanvaarde denkbeelden en denkmethoden is een volgeling van Bacon. Wie de eigen ervaring en het persoonlijk inzicht op de voorgrond plaatst, essayeert op de wijze van Montaigne. Zo vatten de inleiders van De titels van Montaigne de voornaamste verschillen tussen de grondleggers samen.
Lees meer "Het beste 'probeersel' bekronen: de Jan Hanlo Essayprijs 2013" »
Ooit schreef ik een ‘Pinkstergedicht’, dat hieronder staat en ‘Tongebreek’ heet. Het gedicht is verschenen in Tongebreek & Niemendal, een bundel die bijna is uitverkocht. De laatste paar exemplaren zijn te bestellen bij de auteur of bij Weideblik. Het gedicht werd ook opgenomen in Jozef Deleu’s standaardwerk Groot Verzenboek. 555 gedichten over leven, liefde en dood (2009).
Tongebreek
Wij konden ons verstaan. Wij stemden met ons in.
Toen brak van één de tong. Hem sloeg de taal uiteen.
Het was een stille dag. Wij wisten het nog niet.
Wij zouden snel verspreid. Wij zouden ruw verstrooid.
Wij zouden weg van huis en haard. Onze vaders
achterlatend naar een verre streek. Zonder naam
en met een dikke strot. Mompel klonk voortdurend
om ons heen. Gelach. Geklaag. Gebed. Geteem.
De wereld was zo groot. Wij werden her en der
gemoord. Geduld. Gehoord. Zij konden ons verstaan
en deden dat met harde hand. Of zacht. Of niet.
Wij bouwden ons een huis. Maar wat geen spraak beschrijft
hangt als de - hangt voornaam - hangt - hangt nog
als een nevel - steekt als een angel in de keel.
De keuze die Anne Stoffel maakte uit het werk van Boris Ryzji, en die onlangs onder de titel Afscheid in Rusland verscheen bij Hoogland & Van Klaveren, sluit af met dit gedicht:
*
Ik heb nooit met mijn zoon aan de hand
over ritselend blad lopen dwalen
of naar wolken getuurd. Nonchalant
achterom liep ik, niet door de lanen.
Ik had lief en ik leed in mijn lied.
’k Zal Irina geen ongelijk geven:
ik dronk veel, ik zat altijd te lezen,
onze zoon zag ik wekenlang niet.
Dus waarom is me zomaar vergund,
met verduivelde gulheid, te dromen
van die wolken, de lach van een kind
en het vallende blad van de bomen.
<2000>
Wat is literatuur toch vervelend. Ja, serieus. Je leest een boek en bij ieder woord resoneren er allerlei andere woorden mee. Doodmoe word je ervan. Je leest een boek als het ware nooit alleen: alle andere boeken die je ooit gelezen hebt lezen met je mee. En hoeveel aantekeningen je ook maakt en hoeveel lijsten je ook bijhoudt (niet dat ik met die dingen nou heel erg consequent ben, trouwens), altijd komt er een punt waarop je als een idioot boeken uit de kast aan het trekken bent, wanhopig bladerend op zoek naar dat ene citaat, die ene filosofische observatie, die scène die op een of andere manier verwant is aan wat je net gelezen hebt (waarbij je inwendig hartstochtelijk pleit voor het e-book met zijn gezegende doorzoekbaarheid).
Maar goed, ik las dus Nultijd van Juli Zeh en wist zeker dat ik al eens eerder had gelezen over iets met een liefdesdriehoek op een eiland. Hon-derd pro-cent zeker. Maar ik vond het niet.
Van vriendschap getuigen
Jongens waren het, maar kwajongens. Tenminste zolang ze zich
afficheerden als Bril & Van Weelden. Bril & Van Weelden dat stond voor
branie en bravoure, behalve dan in Terugwerkende
kracht: een leesgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, al was ook daar
hun aanpak onconventioneel en persoonlijk. In Arbeidsvitaminen: het ABC van Bril & Van Weelden; Piano & Gitaar: de vooruitgang volgens
Bril & Van Weelden en ook in Home
Sweet Home: Bril & Van Weelden onderweg naar een nieuwe eeuw [fragment] ogen
ze speels en argeloos, maar uit alles blijkt hun bevlogenheid en aanleg voor
eruditie.
Soloschrijvend leken ze nauwelijks op elkaar. Martin Bril maakte uiteindelijk naam als schrijver van stukjes gebaseerd op heel goed kijken en aanvoelen, Dirk van Weelden werkte aan een oeuvre voor fijnproevers, had moeite om schrijvend het hoofd boven water de houden, kluste bij en deed regelmatig een beroep op het Fonds voor de Letteren/Nederlands Letterenfonds.
Over die twee mannen en de (schrijvers)vrienden die zij waren, gaat de roman Het laatste jaar van Dirk van Weelden, waarin de overeenkomsten tussen de personages Brent Ramli en David Kennerwel en respectievelijk Martin Bril en Dirk van Weelden dus niet op toeval berusten.
Rachel Seiffert breit. Nu doet ze dat om de tijd tussen interviews te doden, thuis helpt het bij het schrijven. ‘Sommigen gaan ijsberen, ik brei.’ Maar vandaag heeft het tijdverdrijf haar in de knoei gebracht. De breipennen in haar tas gaven oponthoud op het vliegveld in Londen, voor haar bliksembezoek aan Amsterdam. Oeps, verdacht steekgerei en mevrouw reisde wel erg licht.
Ooit breide ik ook. Ik breide om erbij te horen. Iedereen - bijna iedereen, van de mannen, dat waren er niet veel, deed slechts een enkeling het - breide op de Bibliotheek- en Documentatie Academie, en niet alleen in de pauzes. Zover ging ik niet. Maar ik ging wel weer zover dat ik in een overvolle trein - ik was een studentforens - het attachékoffertje dat mijn vader niet meer nodig had en mij cadeau gedaan had op schoot legde, de sluitingen in de stiltes die toen nog vielen in een trein open liet springen en er dan bij wijze van statement mijn breiwerk uit haalde.
De tekst van ‘Birds’, het lied waarmee Anouk vanavond het songfestival wil winnen, is nogal... apart. Op zijn Facebookpagina schrijft Hans Kloos: ‘Die is gefabriekt van het zuiverste steenkolenengels. Een eerbare Nederlandse traditie. En eenmaal onderaan de stilistiche sintelberg presteert ze het om af te sluiten met iets moois. Water is nat. Vissen zwemmen. Paarden draven. Maar zij zingt dat iets juist niet doet wat het hoort te doen, wat wij verwachten. Zij zingt: That's why birds don't fly.’Toch is het uitkijken met vogels; dat leerde ik via W.F. Hermans: In zijn ‘esseej’ (essay) ‘Experimentele romans’ uit Het sadistische universum (1964) schrijft hij:
‘Ik versta daaronder een roman waarin het thema volledig is verwerkt in een verhaal, waarin een idee wordt uitgedrukt door middel van handelingen, waarin de optredende personages desnoods eerder personificaties zijn dan psychologische portretten. Een roman waarin alles wat gebeurt en alles wat beschreven wordt, doelgericht is; waarin bij wijze van spreken geen mus van het dak valt, zonder dat het een gevolg heeft en waarin dit alleen geen gevolg mag hebben, wanneer het de bedoeling van de auteur geweest is, te betogen dàt het in zijn wereld geen gevolg heeft als er mussen van daken vallen.
Maar alleen dan.’
Wij wensen Anouk veel succes.

Laatste reacties